DAGBOEK UIT TIBNINE (01)

 

donderdag 12 juni 2008

Een gewone doordeweekse donderdag ware het niet dat er een vrijdag opvolgt die niet doordeweeks is: vertrek naar Melsbroek en het begin van een zending in Libanon die wel een tijdje zal duren. De laatste voorbereidselen worden getroffen: een bezoekje aan ons Jacqueline met de familiefoto’s van gisteren en aan deken Amand, eitjes bakken en broodjes smeren als lunchpakket voor morgen, een laatste ritje met Yama (mijn moto) en hem op logement brengen bij André en Erna, de avondviering in ons kerkje en dan naar de geburen die ten huize van Nicole de pil van het afscheid vergulden met picon, broodjes, kaas en wijn..., nog enkele ultieme richtlijnen voor post en eventualiteiten, ... en toch noch na twaalven doodmoe mijn bedje induiken voor enkele luttele uurtjes slaap...

 

Vrijdag 13 juni 2008

...maar de wekker die gereed staat om geweldig te keer te gaan wordt voortijdig de mond gesnoerd en krijgt geen kans om mij om vier uur uit de droomwereld terug te roepen want ik neem zelf het initiatief in handen en wip de douche in. Met het desertplunje dat ik aan trek zal ik voortaan deel uit maken van een groep mensen met een heel bijzondere missie; tegelijkertijd besef ik dat ik een stuk vrijheid inruil voor het samenleven in groep en voor het specifieke van een militaire zending.

Klokslag 4.45 uur gaat de deurbel en groet ik de onderofficier van het CCMed (Leopoldskazerne in Gent) die mij naar Melsbroek brengt. Nu is er geen weg meer terug.

De klaarstaande reistassen en rugzak wegen als lood maar geen gezeur, er is plaats genoeg in de Megane van de kolonel, en na een kleine détour via nr 11 waarvan de bewoners in vliegende vaan op straat staan en lang nawuiven, snellen we de E40 op. Het is 4.55u. 

35 Minuten later zoeken we een parkeerplaatsje bij de incheckbalie van de militaire luchthaven. Wij zijn veel te vroeg en het wordt wachten geblazen vooraleer ik kan inchecken. Ik heb al heel sterk mijn best gedaan tijdens de voorbije jaren om mij één van de belangrijkste militaire deugden eigen te maken: “haast je én wacht!...

Langzaam komen de andere Belufil’ers opdagen, meestal per detachement, sommigen vergezeld van hun lievelingen; de meesten hebben thuis of in de kazerne afscheid genomen. Tegen 6.30 uur worden we via een open loods waar de koude gure wind vrij spel heeft via een kleine smalle doorgang binnen gewurmd in de incheckruimte. De bagage wordt stuk voor stuk op de weegschaal geplaatst worden, gelabeld en in de kortste keren is alles gescand en via het rolsysteem verdwijnt ze uit ons blikveld.

Een rugzak met proviand en drank, een fototas en een laptop sleur ik mee naar boven.

‘Voor de kolonel’ zegt de adjudant mij, als hij een foto maakt van mijn gezicht; zou ik er uitzien als een gevangene maar dan zonder registratienummer?

‘hier een stralingsmeter en teken daar af, a.u.b.’ zegt een tweede.

Oef, ik ben er, en nu ‘wachten’ want de vlucht is gepland om 9 uur.

Veel verveling is er niet want trouwe Guido, de secretaris van onze aalmoezeniersdienst, komt mij uitwuiven en groet mij namens Johan, de ‘opper’ die een dagje vrij heeft. En natuurlijk is mijn zus en schoonbroer er: ik herinner mij geen zending die begint zonder hen. De koffie smaakt lekker, de stemming in het cafetaria is goed, en het wachten duurt niet lang in goed gezelschap. Toch nog een laatste foto op het terras met zicht op “Zaventem”, de burgerluchthaven, en dan vlug de douane door, op weg naar de airbus, bestemming Beiroet.

Ik ben terug de laatste in de rij.

Even nog nawuiven, stil en ongemerkt een traan met de mouw afvegen, en de trap afdalen naar het tarmac, terwijl honderden ogen op het terras ons willen vasthouden, maar de opdracht wenkt... en we gaan er voor!

 

Adieu, klein Belgenland, waarvoor 15 juli een “alles-of-niets” wordt, een land met of zonder regering, samen België-zijn of verdeeld worden in regio’s die toch niet zonder elkaar kunnen.

Adieu, lievelingen, tot binnen vier maanden; het moge jullie allen goed gaan!

 

Zoals bij de eerste zending landen we iets na 13.30 uur op de internationale luchthaven van Beiroet, na een vlotte vlucht waarbij ons zelfs drank en een warme maaltijd werd aangeboden. Toen schreef ik in mijn dagboek: “De landing over zee en stad was spectaculair; ik vermoed dat er geen geluidsnormen bestaan en geen buurtcomités die de luchthaven willen sluiten, maar onze ‘laagvlieger’ liet ons bijna binnenkijken in wat wij veronderstellen achterkeukens te zijn van de huizen die afwisselend hoog optorenen, dan weer omringd zijn door prachtige tuinen met luxe zwembaden; nu eens aan de branding van de zee staan, dan weer ingebed zijn op de heuvels rondom de stad.

Weer beperken de formaliteiten zich tot een alfabetische paspoortcontrole en op een wip staan we buiten de luchthaven.

Witte bussen van de UN brengen ons naar een parkeerplaats ... om te kunnen ... wachten in een temperatuur van meer dan 30°, zonder schaduw, zonder stoel of bank, ... tot 21 uur! Flessen water zijn er in overvloed Tussen vrachtwagens met containers die met ons naar het zuiden zullen rijden vind ik een veldbed waarvan de eigenaar niet te zien is. Er is wel een beetje schaduw maar de verstikkende hitte is ook hier heer en meester. Ik waag het mij neer te leggen, en omhoogkijkend zie ik een streep blauwe lucht, afgeboord door de witte containerranden. Dit wordt mijn eerste foto: een stilleven. Ik geniet ervan en geraak niet uitgekeken. Rond 20 uur komt er leven op de parking: motoren worden aangezet (ik denk om de afnemende hitte te compenseren), groepjes staan pratend bij elkaar, bevelen weerklinken, in de bussen worden plaatsjes uitgekozen en ingenomen met voorkeur aan een open raam, tot iets voor 21uur de colonne zich in beweging zet richting Tibnine, zoals het hoofdkwartier in Naqoura alles heeft bepaald, een ritje van een drietal uren.

 

Tibnine ligt in het zuidoosten van Libanon, op ongeveer 15 km van de Israëlische grens, en een 25-tal km van de Middellandse zee. Onze compound ligt tegen een heuvel aan en wordt gedeeld met een Pools logistiek detachement van ca 70 soldaten. Ons Belgisch detachement van 370 officieren, onderofficieren en beroepsvrijwilligers komen uit een eenheid Gidsen-Verkenners, uit Genie, een medisch detachement, een logistieke eenheid en een groepje CIS’ers (communicatie-informaticasystemen). Met onze aanwezigheid, in het kader van de UNO-resolutie, willen wij de burgerbevolking van Libanon, en dan vooral in onze regio, ondersteunen met het detecteren en onschadelijk maken van mijnen en niet-ontplofte tuigen, onze ‘engineers’ voeren structurele taken uit, zoals grondwerken, ons medisch detachement staat ten dienste van de Unifil-legers en de burgerbevolking met een heus hospitaal, en dit gebeurt alles in een vriendelijke sfeer met respect voor de eigenheid van de bevolking. Het detachement Gidsen beschermt alle Belgische soldaten in de uitvoering van hun taken (Force protection FP).

 

Bij aankomst rond 23.40 uur wacht ons een ontvangstcomité, aangevoerd door de CO kolonel De Wolf, dat ons de eerste richtlijnen geeft. Nadien kunnen we terecht in de messtent voor een lichte maaltijd. Kort daarop zoek ik onze voorlopige tent op en installeren mij een beetje. Vanaf zondag, na de laatste rotatie, krijgt iedereen zijn definitieve tent toegewezen. Ik zal met de RMO (psycholoog) een tent delen.

Het Libanon-avontuur is begonnen.

 

zaterdag 14 juni 2008

Vóór vijf uur word ik reeds gewekt door de zonnestralen die onze tent, op het hoogste punt van het kamp, zacht omhelzen. Ik ben één van de eersten om de nieuwe dag te begroeten.

Geen spectaculaire zonsopgang met heftige stralen van rood en geel maar een zon die behoedzaam van achter de kim kruipt, zacht en nederig, maar niet tegen te houden, een zon die groeit en groeit en een betoverende witgoudenwaas weeft rond heuvels en dorpen, die mee langzaam uit de anonimiteit van gisteren ontwaken en zich al vlug badend in het weldoende licht koesteren en uitrekken en meetuimelen in een wervelende dans van kleur en klank, ... een nieuwe morgen is geboren. Ik herinner me een gelijkaardige zonsopgang op weg naar Zuid-Afrika, toen ik vanuit het vliegtuig de geboorte van een nieuwe dag mocht meemaken, terwijl HaydnsSchöpfung door de koptelefoon mij helemaal in vervoering bracht. Ook nu hoor en zie ik :”en God sprak: het worde licht... en het werd licht...” en ik dank wel duizendmaal voor dit éne moment. Ergens ver priemt een minaret als een naald door de horizon en roept op tot gebed en bevestigt wat elke mens moet erkennen: Allahu akhbar : God is groot!

Ditmaal geen foto want dit wonder laat zich niet ‘vast’leggen, maar ik geniet van een eeuwige schoonheid waaraan de meesten onverschillig voorbij lopen. Ook in 2006 schreef ik: “Wie laat zich nog raken door het grootste overwinningslied op de dood dat ook zonder menselijke tussenkomst eindeloos blijft klinken? Zo een dag kan niet meer stuk. Mijn zending start onder een goed gesternte! ik neurie het zegelied mee en telkens weer welt het van binnen op en komen de woorden voor mijn geest: “Mijn God, wat een vreugde, mijn God wat ...”

 

Het voordeel van een tweede zending op de zelfde plaats is natuurlijk dat je er ‘je weg’ kent. Je weet waar je moet zijn voor dit of dat, wie waar zit en met wat hij of zij zich bezighoudt. Ik moet mijn extra beschermingsmateriaal afhalen (gasmasker incluis), een blauwe UN-overtrek voor de helm, en andere security-gadges. Het liefst had ik mij nu ergens neergezet en als observator het drukke schouwspel gadegeslagen van een zending die zo stilaan op kruissnelheid komt, maar de groeiende hitte van deze voormiddag doet mij een toevlucht zoeken in het lokaaltje dat ik terug vier maanden lang zal delen met de RMO : hier blijft het relatief fris, hoop ik ... Op weg daarheen geraak ik in de ban van het drukke gedoe van door elkaar wriemelende mensen en voertuigen die zich van her naar der begeven, lasten verplaatsen, containers hoog in de lucht tillen en zacht neerzetten op de juiste plek; de dagelijkse opdrachten van water halen voor de bevoorrading van keuken en sanitair is nooit stil gelegd, ook niet bij een wissel, schildwachten beveiligen elke toegang, staan bezoekers vriendelijk te woord en groeten al wie voorbij komt. In de werkplaatsen zijn onze mekaniekers op post; en ook in het hospitaal gaat alles zijn gewone gang, alsof er geen wissel geweest is.

Na het middagmaal zoek ik mijn verblijf-van-nog-één-nacht op, en hoop een beetje te siësten, maar de hitte dringt door het tentzeil en geeft de airco geen kans. Het moet een 34° zijn, verneem ik later op de dag. Morgen is het zondag en ik ben benieuwd of ik bekenden zal terug zien; zou Maurice, de pastoor er nog zijn én Gerios, en de anderen ;;;? Het zal deze avond geen 24 uur worden vooraleer ik in bed kruip, ik wil een beetje ‘bij’slapen.

 

zondag 15 juni 2008

 

Gisterenavond moesten de ‘kerkgangers’ zich vóór 20 uur kenbaar gemaakt hebben, maar ik vermoed dat op dit tijdstip de meesten nog niet gebriefd waren en zich niet konden opgeven, want slechts twee officieren melden zich om onder escorte van de FP (Force protection) naar de kerk te gaan.

Het weerzien met Maurice is hartelijk: met de nodige kussen en omhelzingen zoals gebruikelijk in de Arabische wereld word ik welkom geheten en opgenomen in de lokale gemeenschap die stilaan de kerkruimte vult en mensen laten duidelijk merken dat ze mij herkennen met een glimlach of een opgestoken hand. Het is plezant dat hun welkomswoordAhlan wa sahlan” betekent “je bent van de familie en voel je thuis” en dat ze dat ook menen. Ik zal zoals voorheen concelebreren, en bepaalde teksten in het Frans bidden. Na de viering van de byzantijnse liturgie in de Arabische taal, je weet wel: de christenen zijn hier Melkieten of Grieks-Katholieken, blijven we nog een tijdje buiten aan de kerk staan en drukken handen van bekenden. Bij pastoor Maurice worden we genodigd op de koffie en met ons zitten ook een paar Libanese soldaten aan. Ik krijg al vlug de opdracht om volgende week zondag te preken wat ik niet ongraag aanneem. Allerlei nieuwtjes worden uitgewisseld, en één van de officieren, een Franse chirurg die bij ons in het hospitaal werkt, is sterk geïnteresseerd in de situatie van de christenen ter plaatse. Maar tegen 11 uur moeten we opstappen om tijdig in de compound te zijn. Tot volgende week, abouna!

 

We eten friet met steak en kunnen ons te goed doen aan een saladebuffet, en natuurlijk een waaier aan verse vruchten als nagerecht.

Deze morgen zijn de laatste Belufil’ers van de 5 vertrokken en Steve, de RMO, heeft onze tent al in gereedheid gebracht. Ik heb hetzelfde plekje in de tent als vorige keer, en ook dat schept weer het gevoel van ‘thuis’ te zijn, ware het niet van de hitte die mij ongenadig afjakkert, en tot in de tent haar meesterschap

bevestigt. Arme lieve airco, doe eens wat meer je best! Mijn T-shirt is net een spons die zich volgezogen heeft met de resultaten van een koffer ledigen in ‘dwangarbeidstijl’. Nog een stuk om naar de wasserij te brengen.

Tegen 16.30 uur, het uur van de dagelijkse briefing, is de zon over haar hoogtepunt heen en een koel windje laat mij een nieuwe adem vinden. Ik denk nu aan de laatsten die op de parking in Beiroet wachten om naar ons te komen; tegen 21 uur zullen ook zij aanzetten. Ik gun hen ook een beetje van onze wind, maar ik vrees er voor dat er ginds een frisse zeewind opsteekt. Volhouden, mannen, wij verwachten jullie met open armen. Welkom in Camp Scorpion!

 

maandag 16 - dinsdag 17 juni 2008

De dagen gelijken als twee druppels water op de dagen van oktober 2006-februari 2007: de zelfde opdrachten, de zelfde organisatie, in grosso modo de zelfde afspraken, maar het alarmstadium waarin wij ons bevinden vraagt toch om bijzondere aandacht, én dat maakt wel het verschil. Niet dat ik het niet zal overleven!

Deze namiddag was er de traditionele “blue-screen” waarbij een alarmsituatie ingeoefend wordt. Hopelijk blijft het bij een oefening! Maar we mogen niet blind zijn voor mogelijk gevaar. Ons commando laat niets aan het toeval over!

 

woensdag 18 - donderdag 19 juni 2008

Kolonel Dany, de commandant van Belufil 6 vraagt me mee voor een verkenningsronde in sector West, dat is de regio van aan de Middellandse Zeekust tot aan de oostgrens met Israël. Langs de wegen in de dorpen hangen de portretten van de imams, van Libanese vrijheidsstrijders die als martelaren geëerd worden, van de leiders van Hezbollah en Amal, en de gele vlaggen met groene logo’s wapperen strijdlustig in de wind alsof ze duidelijk willen maken dat hun organisaties levenskrachtiger zijn dan ooit.

Het valt me op hoe in vergelijking met de eerste zending overal het puin geruimd is, terwijl het aantal woningen, of moet ik zeggen “paleizen” dat in aanbouw is of reeds voltooid ernorm is. De wederopbouw is overduidelijk en dat bevestigt wat ik vroeger schreef: dat de Libanezen over een onvermoeibare werkkracht beschikken en een ijzeren wil om niet te buigen voor de agressor en te laten zien dat er, ondanks alles, geld en middelen beschikbaar zijn waarvoor ondermeer Hezbollah tekent.

Af en toe rijden we door dorpen, soms zelf doorheen de wekelijkse markt die in de hoofdstraat gehouden wordt en waarbij wij rakelings langs de kleurige kraampjes rijden en moeten oppassen niet ‘bevlagd’ naar ons kamp terug te keren. We maken even halt bij Indobatt, dat is het kamp van de Indiërs, gelegen naast de ‘blue line’, de grens met Israël. Over het graf van een sheik is de grens getrokken want van beide kanten wordt het graf bezocht en vereerd. Het doet hoogst eigenaardig aan hier te staan, en voor je de ‘ijzeren muur’ en daartegenaan gebouwd een reusachtige controlepost te zien met radar en camera’s als een alziend oog dat de hele regio in zijn macht heeft. “Dat we nu ook op de foto staan bij de Israëli’s” zal mij geen zorg zijn: door mijn bezoeken aan “ons Heilig Land” zullen ze van mij wel genoeg prentjes hebben om een album vol te plakken.

Vandaag donderdag doe we de rit over in sector Oost, maar we zijn nog niet ver gevorderd als de chauffeur van ons voertuig een defect constateert. Bij het stijgen kruipt de kolos van méér dan 7 ton voetje voor voetje vooruit en meerdere keren rijden we op de bochtige weg achterwaarts terug om zo voldoende aanloop te kunnen nemen, maar boven blijken de remmen dan weer niet meer zo goed te functioneren, zodat we een veilige parkeerplaats vinden, met zicht op de ‘Blue line’ en via radioverbinding wordt een hulpploeg gevraagd. Ons voertuig wordt weggetakeld en wijzelf keren met een personenvoertuig terug naar het kamp.

Sector oost zal voor een andere keer zijn!

Deze avond telefoneer ik mijn zus Jacqueline die niet via mail bereikbaar is, en ik wens Nicole een gelukkige verjaardag toe. Zij is mijn bovenste beste buurvrouw (niet moeilijk zal je zeggen, want voorlopig is er toch maar één) en weer is ze een jaartje ouder dan ik; ben ik mis wanneer ik stel dat er morgenavond wel een leuk feestje gebouwd wordt ? Dan zijn de examens voor Joachim en Stijn voorbij. Ook vriend Wim uit Dendermonde wil ik hartelijk feliciteren, maar hij is onbereikbaar. Wij bezochten samen een aantal keren Israël: we delen veel inzichten en maken vaak de zelfde keuzes. Wim, hou je goed en drink er maar één op jouw en mijn gezondheid!

 

vrijdag 20 juni 2008

Ik begin vandaag mijn dagboek te schrijven of bij te werken, en zorg er voor dat mijn inspiratie om een Franse preek uit te schrijven de vrije loop krijgt. Het evangelie dat overmorgen gelezen wordt is het genezingsverhaal van de lamme in Kafarnaüm. Ik vind een paar goede invalshoeken en probeer in mijn keurigste Frans een vlotte tekst neer te zetten.  Alles samen kruipen er meer uurtjes in dan ik gedacht had.

 

zaterdag 21 - zondag 22 juni 2008

Morgen zondag wordt in Beiroet de zaligverklaring gevierd van Khalil Haddad die beter gekend is als Frère Jacques de Ghazir. Deze kapucijn wordt vaak genoemd als de Libanese Vincentius à Paulo omwille van zijn inzet voor de armen. Hij werd geboren in Ghazir in 1875 en stierf als stichter van de vrouwenorde ‘Franciscanessen van het Kruis van Libanon’ in 1954. Kardinaal José Martins, prefect van de Romeinse Congregatie voor de heiligen en de Maronitische patriarch kardinaal Nasrallah Sfeir zullen de feestviering voorzitten. Voor de christenen in Libanon is dit ‘de’ hoogdag van het jaar. Er wordt veel volk verwacht op het ‘plein van de Vrijheid’. Zal het rustig blijven in Beiroet of komen er schermutselingen van?

In Tibnine zijn de christenen meestal Grieks-Katholieken.

De Grieks-Katholieke kerk (of de Melkieten) gaat terug naar de kerk van de Apostelen, heeft de Byzantijnse liturgie gemeen met de Orthodoxen, maar dan in de volkstaal, en wordt geleid door bisschoppen en patriarchen die door Rome benoemd worden, zij maakt dus deel uit van de Katholieke Kerk. De synode is het belangrijkste beleidsorgaan, voorgezeten door Gregorios III (Mgr. Lutfi Laham), patriarch van Antiochië, Alexandrië, Jeruzalem en van heel het Oosten. Jullie weten dat deze kerk mij nauw aan het hart ligt omdat zij ook in Palestina en Israël aanwezig is, en wie kent niet aartsbisschop Elias Shakour in Galilea, of Emile Shoufani in Nazareth?

Als ik er over vertel aan tafel is het voor velen een verrassing te horen dat er in de Katholieke Kerk van Rome plaats is voor gehuwd priesterschap. Zo zie je maar.

Omwille van de veiligheidsstatus dragen we een beschermjas onder het hemd en worden door de Force Protection begeleid naar de kerk. Wij lopen vooruit, een gepantserd voertuig achter ons. Niet te verwonderen dat ik druipnat van het zweet aankom, en mij moet bekleden met de liturgische gewaden die zeker niet voor de nodige verfrissing zorgen. De viering in het mooie eenvoudige kerkje bruist van enthoesiasme en iedereen zingt en bidt mee. Er is veel volk bijeen. Mijn preek wordt na elke paragraaf in het Arabisch vertaald, en zo te zien luisteren de mensen gespannen. Ook Maurice is opgetogen en vraagt mij om volgende week terug de homilie te verzorgen op het feest van Petrus en Paulus. Kan ik “nee” zeggen?

 

Geen siëst na het middagmaal want alleen reeds denken aan de temperatuur in de tent doet mij het zweet uitbarsten. In de relatieve koelte van ons kantoortje (31°) hou ik mij bezig met wat lectuur, koffieklets... tot de nieuwe ‘blue screen’-oefening om 14.30 uur, iets later de avondbriefing en een gevarieerde kaasschotel als avondmaal.

 

Zo lievelingen, de eerste tien dagen zitten er op. In begeleiding van dit dagboek steken geen foto’s omdat het bestand te zwaar wordt, maar alle pics vinden jullie onder http://picasaweb.google.com/tibnine in de map “2008".

Jullie kunnen mij normaal mailen op renaat@renaat.be en mochten jullie andere mensen kennen die graag mijn dagboek ontvangen, geen probleem: zend mij hun emailadres en per kerende zijn zij bij de geadresseerden.

Ik groet jullie allen hartelijk, moge het jullie allen goed gaan, ...

en God zegene en beware jullie.

 

Maä salamee

Renaat

 

DAGBOEK UIT TIBNINE (02)

 

 

maandag 23 juni - 24 juni 2008

Vandaag zijn wij tien dagen in Libanon, en onze zending verloopt gesmeerd; iedereen heeft zijn draai en keer gevonden, is geïnstalleerd en de uitvoering van de opdrachten begint trekjes van routine te vertonen. De waakzaamheid van de Force Protection aan de ingang van de compound en in de begeleiding van voertuigen naar de werven geeft aan iedereen een veilig gevoel. In het hospitaal is er de gewone drukte van mensen die komen en gaan: onze eigen Belufil’ers die voor één of ander klein ‘zeer’ zich laten vertroetelen, Fransen, Italianen, Portugezen, Indiërs, Chinezen... en natuurlijk de inwoners van Tibnine en uit de omliggende dorpen zijn dol van de formule ‘gratis-geneeskunde-voor-het-volk.

Ik kan mij zo voor stellen dat “Tibnine en omgeving” voor jullie weinig zeggen, daarom enkele gegevens die ik van de officiële website van Tibnine haalde en graag voor jullie vertaalde:

 

Tibnine is gesitueerd op 110 km ten zuiden van Beiroet en op 30 km ten oosten van Tyrus. Het aantal inwoners bedraagt 15.000, waarvan een 4.000 ter plaatse en de rest is verstrooid naar Beiroet en naar andere landen , vooral naar de USA en naar Afrika. De meesten echter die buiten Tibnine wonen, keren in de zomermaanden terug en nemen vakantie in Tibnine, omwille van zijn mild klimaat en zijn natuurschoon. Het aantal families in Tibnine bedraagt ongeveer 52.

 

De bronnen in Tibnine worden beschouwd als natuurlijke rijkdom en worden bezocht door velen die in de omliggende dorpen wonen. De belangrijkste van deze bronnen zijn : Ein Al-Mizrab, Ein Al-Hoor, Ein Al-Wardeh en Ein Al-Khan.

 

Wat Tibnine aantrekkelijk maakt zijn de goed uitgeruste voorzieningen voor Gezondheidszorg, die ook ten dienste staan van de naburige dorpen. Een zeer belangrijke inrichting die gerenoveerd werd is het publieke hoofdhospitaal. Andere instellingen zijn het Libanese Rode Kruis en de UN-klinieken , alsook het Ministerie van Sociale zaken.

 

Enkele van Tibnine’s toeristische en aloude attracties zijn natuurlijk het fort, de oude historische huizen en het pijnbomenbos (al-mashroua al-akhdar).

 

Als we voor het kasteel staan merken we dat zijn hoogteligging 750 m boven de zeespiegel, ons aanspreekt. Het bestaat uit vier torens die met elkaar verbonden zijn. Het doorstond de test van de eeuwen tot 1965 en was een geschikte locatie voor het leger, omwille van zijn vele ondergrondse tunnels.

 

In Tibnine vind je ook veel oude huizen, waar veel zorg wordt voor gedragen omwille van zijn waarde en cultuur.

 

Tibnine is ook fier op één van de beste picnic-plaatsen. Al-mashroua al-akhdar (het pijnbomenbos) is de belangrijkste in zijn soort in Zuid-Libanon en mensen uit de omgevende dorpen komen er op bezoek en brengen hun vrije tijd door en genieten van de prachtige omgeving, vooral nu de weg verhard is en er sportvelden en picnictafels zijn geplaatst.

 

Finaal is een bezoek aan Tibnine zonder betekenis indien de Souk al-Jomaa (vrijdagsmarkt) niet op het programma staat. Bij een bezoek aan de soek zou je kunnen denken dat Tibnine versierd is om een belangrijk persoon van hoge rang te groeten. Sinds 1892 is het veruit één van de beste soeks in de streek en mensen komen van overal om er rond te neuzen en te shoppen. De soek maakt inderdaad deel uit van Tibnine’s rijke geschiedenis.

 

Daarbij telt Tibnine nog vele voorzieningen zoals handelszaken, bestuurlijke centra en veel cafés en restaurants.

 

(This text translates one that originated from Tibneen’s municipality on January 1, 2003, by Intissar Dakroub Harajili; second translation into dutch by padre Renaat)

 

Over het kasteel wil ik in een volgend dagboek uitvoeriger berichten.

 

De zondag verloopt heel rustig: in de voormiddag zijn er nog wat onderhoudswerken /werkjes aan voertuigen en materiaal, ‘s namiddags kunnen de meesten met sport en sociale contacten (telefoon, mail, ...) er een echte ‘zon’dag van maken.

 

dinsdag 24 - woensdag 25 en donderdag 26 juni 2008

Nu de alledaagse trant zich doorzet, en de spanning van de start van een nieuwe zending is weggeëbd, merk ik bij me zelf hoe vaak ik vergelijk met de eerste keer toen we in Tibnine arriveerden.

In ons kamp is nauwelijks iets veranderd: de logementstenten staan er nog steeds (zouden vervangen worden door containers), de keuken is nu geïnstalleerd op het plateau dat onze “geniakken” hadden aangelegd, de mess en de overige infrastructuur bleven ongewijzigd. Het wegennet naar en tussen het logementsgedeelte is nieuw geasfalteerd. Maar nu worden nieuwe werken uitgevoerd, onder meer de aanleg van een afwateringssysteem, waarvoor het asfalt moest uitgeslepen worden om er nadien greppels in uit te graven, waarin buizen worden gelegd die verzamelputten zullen verbinden, en zo zal het overtollige water kamp Scorpion verlaten aan de ingang Zuid. Kan je je voorstellen wat een rumoer (soms oorverdovend) dit meebrengt?

Bij de eerste zending schreef ik: “

Voor mij is het een lastige tijd: na meer dan twee maanden ben ik geobsedeerd door het alom aanwezige lawaai, en ik hunker naar stilte, ... Overal waar je staat, zit of ligt overweldigt je het dreunen van een of andere motor, een generator, het eentonig snerpend schrepen van een slijpschijf, vrachtwagens die ladingen stenen en rotsblokken storten voor het terras van de nieuwe keuken, maneuvrerende bulldozers, ... wat natuurlijk niet anders kan bij de opbouw van een compound. In je tent en in de mess is er de verwarmingsblazer die de vochtigheid en de kilte buiten houdt, maar daarvoor moet je een prijs betalen aan stilte; en als je eindelijk indommelt kan de ‘honey-car’ (beerkar) je een extra toemaatje oorverdovend ‘tumult’ bezorgen, want de sanitaire installaties liggen achter de tent...”

De verwarming staat nu uiteraard niet aan, maar het zijn de airco-installaties in en rond de tenten die proberen ‘de warmte‘ buiten te houden...

Nog altijd zoek ik wat voor mij essentieel is en wat ik hier niet vinden kan: de stilte.

Daarom ook is het tochtje naar de kerk een ware verademing, van bijtanken, van even genieten van vrijheid, van anders-leven... De byzantijnse liturgie is een handreiking naar het goddelijke, een confrontatie met het Heilige en met alle heiligen. Ik laat mij erdoor raken!

Dan denk ik vaak aan de mensen in Landskouter die zich opmaken om naar de wekelijkse viering te komen. Ik twijfel er niet aan dat alles pico bello zal verlopen, Nicole en Erna en zovele anderen zullen blijven voortdoen en ons kerkje als een kostbaar pareltje koesteren, ons orgel zal de kerkruimte vullen met zijn grandioze klanken “God-ter-ere” (is het zondag niet de laatste keer dat Sylveer komt spelen? Bedankt, Sylveer, voor de fijne samenwerking), ons kerkbestuur dat als een zorgzame huisvader waakt én ‘bidt’, mijnheer Jozef die mij vervangt en glundert als hij niet moet preken, ‘mijn’ misdienaars die nu vakantie hebben, ... ik denk niet dat er iemand is die mij mist. Ik voel mij met hen verbonden en bid en zing met hen mee in gedachten.

Vandaag 26 juni: deze dag doet mij altijd denken aan de verjaardag van ons mémé, de moeder van ons ma. Geboren in 1881 werd ze 84 jaar toen ze in 1965 bij ons thuis onverwacht overleed. Wij vonden haar levenloos in bed op 3 juli, de dag waarop ik naar het seminarie trok waar alle priesterkandidaten bijeenkwamen voor enkele proeven en een gesprek met de bisschop. Ik was zo onder de indruk van haar afsterven dat ik niet tot een gesprek met de bisschop in staat was en ook zonder proef naar huis terugliep. Mémé, ik koester nog het plantje dat ik op je koertje vond toen jouw huisje in de Maria-Hendrikastraat werd leeggemaakt. Naast een foelaarke (sjaaltje) van jou spreekt vooral wat uit jouw plantje is gegroeid: een zevental bromelia’s die flink gedijen, nieuwe scheuten zetten voor het ‘nageslacht’, en die op bijzondere tijdstippen bloeien. Iedereen verwondert zich daarover. Weet je, telkens ik ze water geef, denk ik weer aan de eenvoudige maar hartelijke vrouw die jij waart, ... en voor ons blijft. “Een gelukkige verjaardag, mémé, en de rest is in de kerk” zou tante Mietje gezegd hebben.

 

vrijdag 27 juni 2008

Ons logementsgedeelte bestaat uit een viertal niveaus, waarvan op de bovenste twee niveaus en het onderste niveau de tenten netjes gelijnd staan. Op het derde niveau zijn de sanitaire installaties ingericht: toiletten, wasruimtes en douches, naast enkele tenten. Wil je van het onderste naar het bovenste plateau, dan kijk je tegen een vrij steile klim aan, en als je dit dagelijks veelvuldig doet, garandeer ik je een goede conditie. Aanleunend bij de sanitaire blokken, staan de containers van de wasserij: de industriële wasmachines en droogkasten worden bediend door mensen uit Tibnine; zij zorgen er voor dat de persoonlijke was van de 370 militairen netjes kastklaar afgeleverd wordt, en wie zijn waszak ‘s morgens binnenbrengt vóór 9 uur, kan die na 16 uur terug afhalen. Mocht je denken dat dit een grote luxe is waarvan je thuis alleen maar kunt dromen, dan moet je weten dat het werk dat hier verricht wordt én de omstandigheden van temperatuur en stof een goede hygiëne vereisen, en die hygiëne begint met een regelmatige wasbeurt en frisse kledij.

Gisterenavond hoorde ik de kolonel zeggen dat er vanaf vandaag naar de markt in Tibnine kon gegaan worden. Dat bericht verheugde mij enorm, omdat zo ‘n bezoek de kans bood mensen weer te zien, even gedachtenlood rond te kuieren en de gezellige drukte in acht te nemen; Maar mijn ontgoocheling was zeer groot toen de wacht ons tegenhield, met de vermelding dat we ons op donderdagvond moesten ingeschreven hebben. Wie of waar en wanneer deze regel was bekend gemaakt, wist ik helemaal niet, maar de jongens aan de wacht voeren het bevel uit, dus moet het zo maar zijn. Jullie die mij kennen weten wel hoe ik met dat soort omstandigheden omga: ‘chinees klasseren’, maar die vrijdag was voor mij toch een beetje een ‘zwarte vrijdag’. En het gebeurt wel vaak dat info die van boven naar onder of van onder ook naar boven zou moeten gaan, zijn weg niet vindt, en dan sta je daar: onwetende. Maar ja, ik ben ook maar een éénmansdetachement dat in de vijver van de battlegroep probeert boven water te blijven.

Alles schijnt tegen te gaan vandaag, want als ik mijn petekind Bart probeer te telefoneren en hem wil feliciteren met zijn 25 lentes, geeft ook hij niet thuis. Ik stuur hem dan maar een digitaal kaartje met bijhorend deuntje. Bart jongen, of moet ik Meester zeggen (Bart studeerde rechten en werkt als advocaat aan de Gentse balie): van harte proficiat. Hier in Libanon zingen de mensen ‘sanah hilwah, ya Bart, sanah hilwah ya Bart, sanah hilwah ya habibi, sanah hilwah ya Bart (op de melodie van happy birthday...).

 

zaterdag 28 - zondag 29 juni 2008


De communicatiemiddelen hebben de kinderziektes overwonnen: gebruik van het draadloos netwerk waarop je kan surfen, je mail lezen en beantwoorden, foto’s doorsturen, en zelfs boodschappen (chatten) met messenger of skype behoren tot de verworvenheden van een buitenlandse zending. Ook telefoneren via het militair netwerk naar alle kwartieren en diensten of via Belgacom-callingcard naar privénummers overbruggen de afstand met het thuisfront (wat een woord : thuis-front alsof zich daar de frontlinie met de vijand bevindt, en wij die dachten dat het hier ‘ergens’ moest zijn’. Als jullie ons nodig hebben, roep maar ne keer!)

Het is 8.30 uur en tijd om te vertrekken naar de Melkitische kerk. In een natuurparkje, naast de ruïne van een zeer oud kerkje, staat een monument met daarop de namen van 47 Ierse soldaten die tussen 1978 en 2002 overleden zijn tijdens een UN-missie in Libanon.  Er staat ook een recent Belgisch monument dat de dood van de drie Belgische soldaten herdenkt die vorig jaar tijdens de zending van Belufil 2 het leven lieten.

Weer ben ik van preek, en abouna Maurice schikt vanaf volgende zondag er een paar weken uit te trekken om gezondheidsredenen, en geeft mij maar het evangelie op: Mattheus 14, 14-22 of het broodwonder. Het wordt een toffe kluif waaraan ik graag begin.

 

maandag 30 juni 2008

Mijn zus Monique maakte mij opmerkzaam op 30 juni. Er zijn zo van die dagen in een jaar die een bijzondere glans hebben en die geen mens kan vergeten.

Deze dag draagt de kleur van een ‘ander leven’, een hoogdag vol herinneringen en emoties, maar die hier in Libanon kan verschralen tot een naamloze kalenderdag, tot een onbeduidende stip op een monotone tijdslijn. Maar dit is moeders verjaardag en ik ben zeker dat én mijn vier zussen én mijn broer zich herinneren hoe we altijd samen waren op deze dag: oorspronkelijk als kinderen thuis, met onze kadootjes en zelfgemaakte tekeningen, met een gedicht of een liedje, met ons ‘lang zal ze leven’..., de traditionele parade van klein tot groot met zoenen en omhelzingen, de feestelijke maaltijd, het gezellig samenzijn én later, met de kleinkinderen erbij, een zélfde scenario, een gebeurtenis die niemand zou gemist hebben. Na moeders plotse dood veranderde het allemaal: wij bleven op die dag samenkomen rond pa, wij vierden de eucharistie en dronken ‘s avonds een glas, maar vooral droegen wij ons ma in ons hart. Had zij en pa ons niet altijd samengebracht? Zouden ze dat ook niet blijven doen? Het was en het is alsof zij er nog altijd zijn en ik ben zeker dat het ieders wens is mochten we vandaag bij elkaar kunnen zijn, mochten ...

 

dinsdag 1 juli 2008

Ik ontwaak in een droomwereld: de zon tovert een warm oranje licht in de tent en roept bij mij een zuiderse sfeer op. 5.30 uur. Het is geen vakantietijd, alhoewel voor velen de vakantie vandaag officieel begint, maar kunnen opstaan na een heerlijk nachtje slapen spreekt van nieuwe reserves aan energie en enthousiasme. Mijn tentgenoot Steve, de RMO, hoorde ik nog niet. Zou hij de deur al uit zijn? Ik betwijfel het. Ik zie hem straks bij het ontbijt.

Het wordt een alledaagse Tibninedag zonder franjes tot ... Gerios aan de wacht staat. Jullie kennen Gerios nog wel, de man uit SafadEl-Batikh, verantwoordelijke in de kristelijke gemeenschap aldaar. Zijn huis werd tijdens de oorlog volledig plat gelegd en hij en zijn gezin trok in bij zijn schoonmoeder. Hij zorgde er voor dat het eucharistisch brood naar Landskouter kwam via de militaire weg, en op die manier is er een verbondenheid tussen de christenen van Landskouter en van groot-Tibnine.

Hij is vergezeld van zijn schoonzus en zijn jongste zoon.

Wij drinken samen een frisdrank op het terras aan mijn kantoortje en hij vertelt honderduit over de opbouw van zijn huis, het werk zoeken voor zijn schoonzus, de heropbouw van zijn kerkje in Safad e.-B., over de lijdensweg die de broodjes soms moesten gaan, enz. tot de uitnodiging valt voor een bezoek bij hem aan huis en aan de aartsbisschop in Tyrus. We spreken af dat veel mogelijk is en dat wij elkaar binnenkort terugzien. Ik heb zijn telefoonnummer en kan hem bellen. Dag Gerios en lieve mensen, bedankt voor het onverwachte bezoek.

 

woensdag 2 juli 2008

Met een kleine delegatie gaan we naar as-Sultanyia op schoolbezoek. Wij kregen een uitnodiging om de proclamatie van de ‘afgestudeerden’ bij te wonen. As-Sultanyia ligt op ongeveer 15 minuten van Scorpion, en maakt deel uit van groot-Tibnine.

De school geeft opleiding aan volwassenen met een handicap en leert hen zelfstandig in het leven te staan.

Aan de infrastructuur van de scholen kan niets toegevoegd worden, tenminste bij wat ik reeds gezien heb. Deze school ligt vrij hoog gelegen op een heuvel en beheerst een sterk glooiend en golvend landschap. De zaal waarin de plechtigheid gebeurt mag gezien worden; vele scholen bij ons zouden van nijd groen uitslaan.

Het is een plechtig en pakkend moment als de ‘leerlingen’ in wit en zwart onder de luide intro van Vangelis 1492 statig de trappen afdalen en rechtstaande een ovatie in ontvangst nemen.

Na enkele toespraken worden de getuigschriften uitgedeeld aan de gelauwerden, en dan is het tijd voor een receptie met gebak en frisdrank.

Onder de aanwezigen herken ik de commandant van het Libanese leger, onze kolonel natuurlijk, de majoor van de Polen, en onder meer kerkbezoekers van Tibnine die toch wel bij de vooraanstaanden gerekend worden.

Tegen het middagmaal keren we terug, een boeiende voormiddag als je het mij vraagt.

 

donderdag 3 juli 2008

Weet je nog dat ik je vertelde dat 3 juli een bijzonder dag is: de sterfdag van ons mémé en de dag waarop ik de definitieve stap zette om priester te worden. Wat je misschien niet meer weet is dat ik op de zelfde dag, 3 juli 1971 priester werd gewijd in de Gentse kathedraal. Zou deze dag dan zo bijzonder zijn?

Ik zou het niet zeggen aan het alledaagse van ons verblijf in Libanon, en ik krijg ook geen felicitaties tenzij van mijn oudste zus, maar ja, waarom dan wel felicitaties. Het is toch doodgewoon dat je bij je keuze blijft of niet soms???!!!

En toch wordt deze dag iets speciaals, zonder dat iemand de band legt, want ik kan mee met een helikoptervlucht naar het hoofdkwartier in Naqoura en terug. Nu moet je weten dat een heli altijd mijn lievelingsvervoermiddel is geweest en dat ik als kleine jongen ervan droomde helikopterpiloot te worden, of minstens eigenaar te zijn van zo een tuig, liever dan van een auto.

Met mijn canon in aanslag en ondanks de wervelende wind rond de heli slaag ik er in een paar fijne kiekjes te nemen van ons kamp en de ruimere omgeving. Het liefst zo ik eens een recce (verkenning) meemaken van de ganse regio, een echte foto-slag. Wie weet zit dat er nog in!

‘S Avonds bezorg ik de kolonel een reuzeposter van ons kamp (60x85cm), dank zij mijn CP4005.

 

vrijdag 4 juli - zaterdag 5 juli - zondag 6 juli 2008

Op vrijdag gaan we naar de markt, ik voor het eerst, zonder machtsvertoon en zware wapens, en wij gaan op in de kleurrijke en levendige bedoening die elke markt eigen is. De mensen appreciëren onze aanwezigheid, ons snuisteren in de stalletjes, ‘you are welcome’ opent een eerste babbel, we bedingen een prijs, de één koopt dit, de andere dat... Met ‘Abouna’ begroeten mij enkele vrouwen en kinderen en ik herken hen uit de zondagsliturgie, en omdat ze me reeds uitnodigden op de thee. Ook kinderen steken hun hand op bij wijze van herkenning en lachen ronduit. Ik moet meer naar de markt!

Na het marktbezoek keren we terug naar Scorpion-city, maar onderweg wenkt een ouder paar ons om koffie te drinken. Zij rijgen tabaksblaren op een draad en maken sierlijke guirlandes die nadien verschillende weken in de zon moeten drogen, om dan echt tot tabak versneden te worden. Ik merkte reeds op dat vele stroken land beplant zijn met tabak, en voor vele gezinnen is dit een bijkomende bron  van inkomsten. Wie zei ook weer : “de één zijn dood is de ander zijn brood?”

Het weekend verloopt geruisloos en zonder hoogtepunten, tenzij dat je de avondwandeling door het bos en langs de weg en de kleine hoogteverschillen die moeten overwonnen worden als dusdanig bestempelt. Ik geniet er in elk geval van met volle teugen. Weg eeuwigdurend lawaai, weg verschroeiende hitte, zalig de sterke indringende en zalvende geur van pijnbomen, zalig die milde avondzon die met kwistige hand het golvende land geeloranje tatoeëert.

Deze avond bel ik mijn zussen en broer. En in een emotionele stemming wil ik het gezelschap van Adriaan Roland Holst en zijn “zwerversliefde”.

 

Laten wij zacht zijn voor elkander, kind

want o, de maatloze verlatenheden,

die over onze moegezworven leden

onder de waaie’ in de oude wind.

 

O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet

het trotsche woord hooge woord van liefde spreken,

want hoeveel harten moesten daarom breken

onder den wind in hulpeloos verdriet.

 

Wij zijn maar als de blaren in de wind

ritselend langs de zoom van oudewouden,

en alles is onzeker, en hoe zouden

wij weten wat alleen de wind weet, kind-

 

En laten laten wij omdat wij eenzaam zijn

nu onze hoofden bij elkander neigen,

en wijl wij same’ in ‘t oude waaien zwijgen

binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.

 

Veel liefde ging verloren in den wind,

en wat de wind wil zullen wij nooit weten;

en daarom – voor we elkander weer vergeten-

laten wij zacht zijn voor elkander, kind

 

Zo lievelingen, de tweede en derde week zitten er op. De tijd vliegt nu wel voorbij.

Ik groet jullie allen hartelijk, moge het jullie allen goed gaan, ...

en God zegene en beware jullie.

 

Maä salamee

 

Renaat

 

maandag 7 juli - dinsdag 8 juli 2008

na een dagje dagboek aanvullen en klaar maken om te verzenden, ga ik deze morgen met de vrienden van de CIMIC naar Ain Abel, een christelijk dorp met een Maronitische en een Grieks-Katholieke gemeenschap, voor enkele bezoeken aan de religieuze gemeenschappen. Alhoewel ons bezoek aangekondigd was en vastgelegd blijken de zusters in Ain Abel niet thuis te zijn. Na telefonisch contact horen we dat ze nog in Beiroet zijn en pas later naar huis keren en dat we een nieuw rendez-vous moeten afspreken. Onze tocht gaat verder naar Yaroun, een ander christelijk dorp op amper 2 km van de Israëlische grens. Ook hier is ‘moeder Overste’ niet thuis, maar zuster Samar, de directrice van de school, heet ons welkom. Bij een kopje thee en een biscuitje wordt kennis gemaakt en zuster Samar vertelt ons over de school en de beperkte financiële middelen die ze heeft, rekening houdend dat de kinderen uit de christelijke gezinnen geen schoolgeld kunnen betalen. Hun ouders behoren tot de armsten uit de regio.

Na deze boeiende ontmoeting keren we over Bint Jbeil terug naar Scorpion. Ondanks de vele bouwwerven in dit stadje kan je niet naast de schade kijken die de oorlog met kwistige hand heeft uitgezaaid, en voor het eerst tijdens deze zending is “oorlog” weer aanwezig.

 

woensdag 9 juli 2008

Terug op pad naar de werven waar onze geniakken in het ‘zweet des aanschijns’ hun ding doen. De eerste post die wij bezoeken is de werf waar het fundament voor een relaistoren wordt gelegd: in de rotsachtige grond is een reusachtige vierkante kuil uitgegraven van naar schatting vier op vier meter ven en één meter diep. Ik zie de bevestigingspunten waaraan de drieënertig meter hoge zendmast zal verankerd worden; ik zie de bekisting rondom de kuil die straks vol beton zal gegoten worden, en onze mensen zijn nu bezig om met aangevoerde stenen de ruimte tussen de bekisting en de buitenste rotswand te dichten. Een kleine bulldozer brengt stenen aan en in een opdwarrelende stofwolk bijten schoppen als kleine klauwen zich vast in de stenen om ze een tel later in de spleten te dumpen, en telkens weer wordt alles goed aangestampt. Reken daarbij reeds de hitte van deze voormiddag en je hebt ontzaglijk veel respect voor die mannen en vrouwen, koortsachtig bedrijvig, om de klus in de kortste tijd te klaren.

Van uit zuidelijke richting gaat het nu noordwaarts, ons kamp voorbij, en terug naar een Franse compound waar onze genie een nieuwe parking aanlegt voor al het rollend materieel. Het werk is hier anders: een groot terrein (=enkele voetbalterreinen) is al bijna genivelleerd, dit wil zeggen afgegraven of opgehoogd, en wordt nu bedekt met kleine steenslag als verharding voor de bovenlaag; de afwerking gebeurt met fijn grint dat nadien met water wordt besproeid en daardoor een beetje de eigenschap van beton krijgt. Ook hier brandt de zon mij in de nek, wat moet het niet zijn om zonder enige schaduw urenlang te werken, toch schijnt het deze jonge kerels niet te deren, en met terechte fierheid stellen ze dat hun werk binnen afzienbare tijd zal voltooid zijn, ... Een Franse officier getuigt even later dat zij op onze mensen kunnen rekenen en ook hij drukt zijn bewondering uit voor hun werk en de wijze waarop zij hun taak uitvoeren.

Wat reeds lang in de lucht ging is nu zekerheid geworden: Brussel heeft beslist 30 man terug te roepen uit deze zending, zodat er nog 335 Belufil’ers overblijven. Morgen zou een contactteam komen om de nodige gesprekken te voeren met alle verantwoordelijken, en maandag zullen ze in Brussel verslag uitbrengen. De onzekerheid van wie wel én wie niet zal vertrekken zorgt voor een

eerder gespannen sfeer onder alle deelnemers, en nu het feit definitief is wil de kolonel deze avond iedereen toespreken en op een éénduidige wijze uitleg geven. Nadien wordt het (bang) afwachten of Brussel oren heeft naar de argumenten van het commando.

Als ik deze avond naar zus Jacqueline bel, hoor ik hoe zwak haar stem klinkt: ze zegt me dat ze nu ook nog de ‘zona’ heeft, en daarvan veel hinderlijke pijn. Ik weet niet hoe ik haar moed kan inspreken, want ze heeft reeds een zware tijd achter zich en nu dat nog daarbij... en nu pas voel ik wat het is “ver-te-zitten”. Zoals altijd herhaalt ze ook nu aan het einde van het gesprek: God zegene en beware je.  Ook jou, zus!

 

donderdag 10 juli 2008

in de voormiddag werk ik aan de tekst voor een ‘te-Deumviering’ op 21 juli ter gelegnheid van de nationale feestdag. Met latijn noch gregoriaans meen ik mijn mensen te kunnen bekoren, dus schrijf ik enkele teksten, en ik ken enkele muzikanten onder ons: die wil ik aanspreken voor de feestelijke noot.

In de namiddag rijden we met commandant Troch naar Naqoura waar we de werf zullen bezoeken: de aanleg van een nieuwe compound voor het hoofdkwartier. Voorbij het huidige hoofdkwartier, gelegen aan de Middellandse Zee op het zuidelijk punt van Libanon, tegen de Israëlische grens aan, gaat de weg eerder steil de hoogte in. Al vlug komen we in een reusachtig oerlandschap van rotsen en rotsen waar doorheen een wegennet is aangelegd waarop vrachtwagens rijden volgeladen met stenen die uitgegraven worden in een lager gelegen groeve. Alles is bedekt met een laagje fijn wit stof dat doet denken aan een bejaard sneeuwveld, stof dat telkens minutenlang ver-wolkt na de doortocht van een vrachtwagen. Op het oostelijk deel van het terrein zijn onze mensen aan het werk: ook hier weer de aanleg van het wegennet dat als een kolossale roetsbaan de toekomstige compound zal doorsnijden en alles toegankelijk zal maken; ook hier de nivelleringswerken, bulldozeren, egaliseren van steenslag, opvoeren van een berijdbare laag die zelfverhardend is om nadien door een firma geasfalteerd te worden. Het landschap dat ten westen in de Middellandse Zee lijkt te vallen spreekt de verbeelding aan, is onwezenlijk, als behorend tot een nieuw ontdekte planeet, en de mensen en tuigen zijn luttele dinkietoys die op een immens speelbord manoevreren.

Ook hier weer zie ik dat onze mensen spoor-trekkers zijn die een stuk onnoemelijke chaos ordenen en toegankelijk maken, en dit in omstandigheden van warmte en stof waarvoor ik mijn pet afneem (mocht ik die al dragen). Wanneer wij in het terugkeer slurpen van een lekkere cappuccino bij de Italianen, moet ik denken aan die vrolijke stofslikkers die de eer en de faam van ‘les petits Belges’ hoog houden.

Deze nacht komt het contactteam aan. Het worden spannende dagen.

 

vrijdag 11 juli - zaterdag 12 juli 2008

Van tijd tot tijd horen we op de avondbriefing over spanning en geweld in en rond Palestijnse kampen. In Libanon zijn ze gevestigd rond de grote steden Beiroet, Sidon (nu Saïda), Tyrus (nu Sour), en Tripoli. Met de eerste golf van vluchtelingen uit Palestina, toen het Israëlische leger in de aanloop naar de onafhankelijksoorlog, een vijfhondertal dorpen verwoestte en met de grond gelijk maakte (1948), en 750.000 Palestijnen op de vlucht gingen naar de buurlanden Libanon, Jordanië, Syrië, Egypte, kwamen gezinnen en families in Libanon aan, en werden er opgevangen in vluchtelingenkampen. Sedert die tijd zijn ze er niet meer weg geweest. Alle UN-resoluties waarborgen het recht op terugkeer maar Israël blijft dit weigeren. Na de andere Israëlische oorlogen, o.m. van 1967, zijn weer duizenden gezinnen op de vlucht gegaan. Hun gronden zijn onteigend, een vergoeding werd nooit uitbetaald. Dat de houding van de Palestijnen tegenover Israël in die kampen met de jaren alleen maar verhard is, spreekt vanzelf. Voor hen is Israël vijand nummer één, die kost wat kost moet vernietigd worden. En elke vijand van Israël, bijvoorbeeld Hezbollah, beschouwen ze als een natuurlijke bondgenoot. Dit staat in schril contrast met de Palestijnen die naar Jordanië gevlucht zijn, onder wie velen een nieuwe toekomst gevonden hebben. Men zegt soms dat in Jordanië de helft van de bevolking van Palestijnse origine is.

Denk niet dat in alle kampen gewelddadige acties gebeuren of dat alle Palestijnen behoren tot een eerder fundamentalistische Islam, nee. Ik denk aan het kamp Dbaye ten noorden van Beiroet waar onze “kleine zusters van Nazaret”, een Gentse stichting, sociaal werk doen bij de overwegend christelijke Palestijnen.

Terwijl ik deze gedachten op papier zet denk ik aan de tekst van Manu Verhulst: het gebed van een christen Palestijn. Moest je het niet kennen, ik bezorg het je hier; ik vermoed dat Manu er mee akkoord ga dat ik jullie dit laat lezen.

 

Gebed van een christen Palestijn

 

Ik zoek U, God

Mijn handen zijn gewijd

door eenzaamheid.

Mijn mond,

als van een kind:

­verwonderd,

ik versta U niet.

Ik zoek tevergeefs Uw spoor

in de geschiedenis

van mijn volk,

dat als een distel in het zand

door niemand wordt bewonderd,

door niemand wordt bemind.

Wij zijn een distel

in een droge grond

Wij kunnen dorst en pijn verdragen,

maar zouden gaarne vatten en verstaan

waarom

waarom wij een distel zijn.

 

Misschien hebt Gij het eerst


en lang voor ons

diezelfde vraag gesteld

Misschien waart gij die eerste distel

die in deze grond

ten dode toe

vertrapt werd

en vermorzeld.

 

Zijn wij misschien

uw kleine zaadjes,

gedragen door de Geest,

ontkiemd,

en onweerstaanbaar jong?

Herleeft in onze ogen

iets van Uw pijn,

iets van Uw licht?

En mag ons hart,

- het midden van de distel -

­Uw vrede verder dragen

in de wereld van vandaag?

 

Manu Verhulst

 

Begrijpen jullie nu ook waarom distels geen ‘onkruid’ zijn?

 

Het is zaterdag. Gisteren nog even naar de markt, en tussen de andere bezigheden door wat lectuur.

In de voormiddag rijd ik mee naar het gemeentehuis in Tibnine waar onze mensen van de CIS-groep initiatie computer geven aan vrouwen.

In het zaaltje zijn alle plekken achter een scherm ingenomen en iedereen volgt aandachtig de instructieles. Straks gaat een tweede groep aan het werk. Volgende week gaat het verder.

Met de Cimic’ers rijden we naar Ain Abel, je weet wel waar de zusters niet thuis waren, maar ze hebben ons gecontacteerd om vandaag te komen. Onze ontvangst is goed voorbereid en we drinken Libanese koffie met speciaal gebak voor ons. Nadien kunnen we een biertje drinken of een arakske als aperitief vóór de copieuze oriëntaalse maaltijd. En met de koffie keren we terug naar huis.

Zo een zaterdagmiddag mag er voor mij van tijd tot tijd wel inzitten!

Wim belt op deze feestdag van de Vlaamse gemeenschap, we zouden het bijna vergeten, en ik ben weer verbonden met Landskouter. Het doet deugd, telkens iemand de draad opneemt, hij of zij, en mij weet te vinden. Dank daarvoor en natuurlijk ook voor de vele mailtjes, én de pakjes, én de post die trouw bezorgd wordt ...

 

zondag 13 juli 2008

Op het ogenblik dat in Leopoldsburg, Burcht of Lombardzijde de eerste familiedagen plaats vinden, zit ik aan mijn schrijftafel en denk aan jullie allen: aan broers en zussen, aan mijn trouwe vrienden, aan ‘mijn’ mensen van Landskouter en Oosterzele of waar jullie ook wonen, aan de militairen uit de detachementen waarvan ik de padré mag zijn,...

Deze morgen was ik in de kerk. Maurice hield een korte preek, maar vroeg om volgende week, bij het feest van Elia de profeet, terug te preken.

Telkens ik de kerk bezoek kan ik het niet laten om even rond de kerk te lopen en van daar uit het kasteel van Tibnine te bewonderen. Het blijft een arendsnest, hoog op de heuvel.

Ik beloofde jullie in mijn vorig dagboek dat ik wat meer over de burcht zou vertellen. Dat doe ik nu met de woorden van de officiële website van Tibnine.

 

Tibnine, baken van Jabal Amel

Je kunt nauwelijks over de geschiedenis van Tibnine/Jabal Amel spreken, als je niet over  de geschiedenis van het fort spreekt. Het Aramese volk legde de basis van het fort.

Als Hazabeel Bin Binjodod in Palestina aankomt op weg om de handelsroute van Egypte naar de Arabische wereld te controleren, beveelt hij de constructie van het fort in 1850 vóór Christus en noemt het ‘Tibnine’, wat in het Aramees “het verhoogde bouwwerk” betekent. Het werd ook “Toron” of “Tor” genoemd.

Gedurende de heerschappij van Sanharib de Assyriër werd het kasteel in 680 vóór Christus aangevallen en verwoest. Bij het begin van het jaar 582 vóór Christus werd het fort opgegeven door Nebukadnezar, de Chaldese heerser als hij zijn troepenmacht richting Tyrus beweegt.

In de Romeinse periode werd het kasteel herbouwd en werd verwaarloosd gedurende de Byzantijnse periode. Het fort kwam weer tot leven toen de Kruisvaarders in 1099 A.D. arriveerden en het uit zijn diepe slaap deed ontwaken.

Een ander historisch geschrift van de Europese historicus William Alsouri bevestigt dat het fort werd gebouwd door Hugh de St-Omer in 1105 A.D. Dank zij zijn hoge ligging met uitzicht op velden en valleien vond Hugh dit een uitstekende uitvalsbasis voor zijn aanvallen op Tyrus en de Oostelijke gebieden

Bovendien maakte de strategische ligging van het fort en zijn nabijheid tot belangrijke civiele en militaire plaatsen, in bijzonderheid tot Tyrus, van het dorp een belangrijk punt in deze periode. In het fort werden beslissingen genomen door belangrijke mensen en heersers, van wie sommigen koningen genoemd werden.

Voor een buitenstaander was het fort van Tibnine een façade van waaruit aanvallen en transporten werden uitgevoerd naar Tyrus en andere strategische plaatsen. Bij de overname door de Arabieren werd het fort echter gebruikt als een plaats van bescherming en als heiligdom.

Bovendien was Tibnine gedurende deze periode een verzamelplaats voor de reizende karavanen van Damascus naar de vlaktes. Tabarraya in Palestina  was echter zijn concurrent omwille van de kortere route, alhoewel de weg over Tibnine gemakkelijker was.

(uit de officiële webstek van Tibnine - vertaling renaat)

 

maandag 14 juli 2008

Deze dag is de beslissing gevallen van welk peloton of sectie mensen naar huis worden gestuurd. Nog even en dan zullen ook de namen gekend zijn. Voor sommigen moet het toch zwaar vallen om hier weg te gaan, weliswaar niet omwille van een fout met een ‘blue-flight”, maar dan toch met een wrang gevoel van onmacht en niet-begrijpen, want het engagement was er om de hele zending uit te doen.  Enkelen zullen in een leegte vallen als ze thuis zijn, geen plannen hebben voor de komende tijd, anderen storen misschien door hun onverwachte aanwezigheid midden de vakantietijd, weer anderen zien zich voor een financieel engagement staan dat ze niet kunnen inlossen, ... en er zullen er ook wel zijn die blij zijn te kunnen terugkeren, voor wie het al lang genoeg geduurd heeft...

De komende dagen zullen wij met zijn allen moeten zien dat iedereen goed opgevangen wordt. Ik denk dat sectie- en pelotonscommandanten, collega’s, kameraden de eersten zijn die voor dat grote vangnet kunnen zorgen, en wij, psycho-sociaal team zullen paraat staan om die helpende hand te reiken met een luisterend oor en een gepast woord op het juiste moment.

 

dinsdag 15 - woensdag 16 juli 2008

het worden zeer rustige dagen boordevol lectuur en ‘s avonds een dvd-tje met één van Aspe’s verfilmde romans.

Deze woensdag was ik er bij als een viertal medical’ers in het parochiezaaltje van Tibnine een dertigtal kinderen en hun begeleid(st)ers een aangename schminknamiddag bezorgden. Zij toverden op de gezichten van de kinderen de vrolijkste dieren- of lelijkste monstermaskers, anderen werden feeën en prinsessen. Een geslaagde namiddag.

 

donderdag 17 juli 2008

Zuster Lucienne van Yaroun heeft getelefoneerd en gevraagd om haar te bezoeken. Dat is een bevel! Wij rijden er heen via Ain Abel waar wij een man opzoeken die verantwoordelijk is voor de Grieks-Katholieke gemeenschap. Het is een fijne kennismaking, waarbij ook vaak de naam van Eric valt. Eric Pétré is een jonge collega die hier tijdens de winter verbleef, en bij heel veel mensen goede en plezante herinneringen oproept. Na de koffie zetten we aan naar Yaroun waar we een beetje te laat aankomen, maar dat neemt zuster Lucienne niet kwalijk. Zij is een robuuste vrouw die gezag uitstraalt en niet wil tegengesproken worden, zeggen mijn collega’s. Maar alles valt heel goed mee en ze vertelt over de armoede in de streek door gebrek aan werk, over watertekort door een beperkt aantal uren elektriciteit per dag zodat het water niet boven gepompt geraakt, over de benzineprijzen die de pan uit swingen (hier dus ook), over de verhoging van de elementaire voedselprijzen, over de verhouding met de moslims die eerder vijandig staan, enz...

Dan vraagt ze mij of wij haar kunnen helpen: zij zou voor de school een computer willen aanschaffen; ik weet niet wat ik haar moet antwoorden. Ik stuur deze avond een mailtje naar ‘het Werk van het Oosten’ om te zien of vandaar wat steun kan komen. Ja, van waar kan er hulp komen?!

 

 

En dan stelt ze ons de priester van Yaroun voor, die wanneer hij binnenkomt, onmiddellijk naar mij komt en mij hartelijk begroet: abouna François. Iedereen is verwonderd dat wij elkaar kennen, maar dat ligt natuurlijk aan de eerste zending.

In het terugkeren stoppen we nog even aan zijn kerkje en we spreken af dat, als de kolonel het toestaat, wij elkaar terug zien in Ain Abel op zaterdagavond voor het feest van de profeet Elia, die zijn naam gaf aan het oudste kerkje aldaar... en we moeten de kolonel ook uitnodigen mee te komen.

 

Deze avond zet ik mij aan het werk: een mailtje naar ‘het Werk van het Oosten’, een organisatie met een gelijknamig tijdschrift, dat steun verleent aan de christelijke gemeenschappen in het Nabije Oosten.

Ik schrijf onder meer:

“Ik verblijf reeds meer dan vijf weken in het zuiden van Libanon, het gebied dat enorm geteisterd werd tijdens de laatste Israëlische oorlog en ik word overal geconfronteerd met verontrustende berichten vanuit kerkelijke hoek. We weten dat de bisschoppen van het Nabije Oosten alles in het werk zetten om de kristenen te motiveren het land of de regio niet te verlaten, wat tot nu toe massaal gebeurt: hoge werkloosheid, geen ondersteuning, zeker niet voor de minderheid die christenen overal zijn.

De situatie is schrijnend, en dagelijks ontmoet ik de priesters of religieuzen die op hun parochies en scholen proberen met de moed der wanhoop verder te doen. Onze morele steun is voor hen zeer waardevol, en ik weet dat ik op dit vlak bevoorrecht ben om deze christelijke gemeenschappen van nabij te volgen. Het is voor mij reeds de tweede zending van vier maanden in deze regio.

Elke week nemen wij met de soldaten die geen dienst hebben deel aan de heilige liturgie van de Grieks-Katholieken in Tibnine, of in Ain-Abel of in Yaroun, of bij de maronitische gemeenschappen, en bijna wekelijks ben ik van preek (in het Frans) met Arabische vertaling.

Overal vragen de zusters of priesters mij of ik geen kanalen ken langswaar zij een beetje financiële ondersteuning zouden kunnen krijgen, voor concrete projecten die ik zelf noodzakelijk en dringend acht, maar wie ben ik…?!

Gisteren vroegen de zusters Salvatorianen (Grieks-Katholieken) mij of ik hen geen hulp zou kunnen verlenen bij de aankoop van een computer voor de school. De 30% christelijke leerlingen betalen geen geld, want die gezinnen behoren tot de armsten van de regio (Yaroun grenst aan Israël), de 70% moslimkinderen betalen een kleine bijdrage. Ik heb zuster Lucienne van de école Saint-Georges beloofd dat ik de contactgegevens van ‘het Werk van het Oosten’  zou doorgeven. Maar ik wil op haar vraag al anticiperen door jullie hiervan op de hoogte te brengen.

In Tibnine, waar wij in de kerk op 21 juli het Te Deum zingen ter gelegenheid van onze nationale feestdag, zit men al meer dan 20 jaar met een generator die het laat afweten. De elektriciteitsvoorziening in Zuid-Libanon levert per dag een aantal uren stroom, natuurlijk niet op die momenten waarop er vieringen zijn in de kerk. De terechte vraag van de gemeenschap is om een nieuwere generator te kunnen aanschaffen waarmee én de kerk én het parochiehuis én pastorij van stroom zou kunnen voorzien worden, zonder onderbrekingen en beschadigingen aan de installaties, zoals nu wel het geval is.

Elke week komen er een 100 tot 150 mensen samen voor de liturgie.

Wij zullen voor 21 juli een noodgenerator opstellen, dan is ‘ons’ probleem opgelost, maar wat met de christelijke gemeenschap?

Kan ‘het Werk’ ook hier een antwoord bieden?

 

Mocht er iemand zijn die op één of andere wijze een beetje kan helpen, bijv. met €5 of €10, dan kan hij of zij dit overschrijven op het nummer 890-5441013-23 van de ‘Vrienden van Galilea’ met vermelding “Tibnine”. Het is een eenvoudige vraag om hier te helpen, en alle giften worden aanvaard met heel grote dankbaarheid.

 

vrijdag 18 juli 2008

Op weg naar de markt komen we aan de kerk voorbij en kijken de elektrische installatie na, ook die voor het geluid. Onze technici zijn meegekomen en weten direct wat ze moeten aanbrengen opdat het Te Deum maandag vlot zou verlopen.

Op de markt koop ik gauw wat nootjes en keer dan terug.

In de namiddag is er een grote rampenoefening, een maskal, waarbij de alertheid van iedereen en de inzet van onze medici, pompiers, ambulanciers, en andere hulpverleners wordt uitgetest.

Er is brand uitgebroken in het slaapgedeelte van de genie, er zijn vele gekwetsten, ...

Naar mijn inziens verloopt de oefening zeer goed, en een grondige evaluatie zal de kleine of grote tekorten wel opsporen...

‘s Avonds is er zangrepetitie voor het Te Deum, dit wil zeggen dat Jan die klarinet speelt, Eva die zingt en de anesthesist met zijn gitaar voor het muzikale gedeelte zullen instaan.

Het programma ziet er als volgt uit: de Highlandrapsodie voor klarinet bij het begin, na het gebed een concerto van Mozart (klarinet), dan zingt Eva het Ave Maria van Bach/Gounod als tussenzang, begeleid door Jan en en na de voorbeden en voor het slotgebed zingt Eva het prachtige oud-Engelse danklied Amazing grace van John Newton. Het belooft zeer goed te worden.

 

zaterdag 19 juli - zondag 20 juli 2008

Abouna Maurice heeft een afspraak gemaakt met onze tandarts en om 15 uur stipt staat hij aan de wacht, samen met zijn vrouw, een verleidelijke schoonheid. Ook de tandarts-assistent wacht hem op en ik zal het tafereel niet beschrijven dat zich afspeelde toen Maurice in de stoel zat en ‘verlost’ werd van zijn miserie.

‘S avonds rijden wij met zijn vijven naar Ain Abel waar de feestelijke viering voor de profeet Eli begint in het oude kerkje. De aartsbisschop van Tyrus, Georges Bacouni, die in de zomer in Yaroun verblijft (omwille van de aangenamere temperatuur) en zijn voorganger Mgr. Haddad zitten de viering voor. Mgr. Bacouni nodigt mij uit om mee in het priesterkoor te zitten (hij herkende mij onmiddellijk en sprak mij aan met abouna Renaat) en na het eerste deel zet een reuzestoet zich in beweging rond de icoon van de H. Elia, geflankeerd door honderd jongens en meisjesscouts in uniform. In zo een processie stap ik al jaren niet meer mee, maar hier voel ik mij echt opgenomen en als ik achterom zie merk ik een echte mensenzee over de volledige breedte van de weg, voor alle verkeer afgesloten. In de nieuwe kerk die vlug volloopt wordt de slotplechtigheid gehouden met de zegening van het Elia-brood dat aan iedereen wordt uitgedeeld. Het gelegenheidskoor zorgt voor de muzikale noot, maar ook de priesters laten zich horen in de prachtige eeuwenoude gezangen van de Byzantijnse liturgie. Ook de maronitische priester neemt aan alles deel en na de dienst zien we elkaar terug op een etentje dat in een befaamd restaurant wordt opgediend.

Ik moet plaats nemen bij de aartsbisschoppen en de priesters. Aansluitend zitten onze kolonel en de andere officieren. Het feest van een heilige is hier werkelijk een feest voor het lichaam en de geest en het hart. We kunnen er nog iets van leren.

 

maandag 21 juli 2008

Onze nationale feestdag begint met een te Deum in de kerk van Tibnine, bijgewoond door generaal Wauters, onze officieren, onder-officieren en vrijwilligers. Bij het aankomen schouwt de generaal de erewacht en ik verwelkom hem samen met kolonel Dany aan de kerkdeur.

De feestelijke viering verloopt zoals gepland, de gebeden, lezingen en liederen ... en met het vaderlandse lied dat de generaal met luide stem meezingt besluiten wij de viering. Een eenvoudige maar hartelijke viering op de maat van soldaten-van-nu.

Een honderd meter voorbij de kerk staat het monument dat herinnert aan de drie soldaten die vorig jaar, in 2007, met een pandour om het leven kwamen. Vandaag worden ze herdacht met een bloemenkrans die de generaal neerlegt, de ‘last post’, het gebed van de padre, het ‘te velde’ en het volkslied. Bij het monument staan enkele pelotons opgesteld. Het is een sterk moment!

Terug in Scorpion trek ik naar het heliplatform waar de ganse medische equipe verzameld is voor enkele groepsfoto’s. Ondertussen komen de genodigden aan voor de parade en een demo.

De parade kent zijn klassiek verloop, met speeches incluis, en na de parade is er een demonstratie, in samenwerking met het lokale Libanese Rode Kruis, van een reddingsoperatie van een verongelukte chauffeur, die op een berrie vastgebonden, over een steile hindernis wordt gehaald.

Een staande lunch voor de genodigden en een lekkere maaltijd voor ons maakt deze middag compleet.

In de late namiddag kan ik meerijden naar Beiroet voor een receptie bij de ambassadeur. Aan de poort van het domein hangt een reuze Belgische luchtballon, als om te zeggen: hier is ‘t! Met de feeërieke verlichting en de grote illustraties van Belgische stripkunstenaars wordt de toon gezet.

De ambassadeur is een beminnelijk man, en met zijn echtgenote heet hij allen welkom. Zoals op 15 november is er heel veel volk, en ik ben blij een Belgische Jezuïet te zien, en natuurlijk ook een ‘kleine Zuster van Nazareth’, en Hans, een oud-student van het college die voor de Europese gemeenschap werkt, en ... en ...

De avond is heel vlug voorbij en ons wacht nog een rit van een aantal uurtjes naar ons kamp, maar de weg is voor ons alleen en tegen half één staan wij voor de poort. Het was een toffe maar vermoeiende dag. Deo gratias.

 

Zo lievelingen, de eerste vijf weken zitten er op. Jullie weten dat alle foto’s op de volgende website staan: http://picasaweb.google.com/tibnine - 2008.

Jullie kunnen mij normaal mailen op renaat@renaat.be en mochten jullie andere mensen kennen die graag mijn dagboek ontvangen, geen probleem: zend mij hun emailadres en per kerende zijn zij bij de geadresseerden.

Ik groet jullie allen hartelijk, moge het jullie allen goed gaan, ...

en God zegene en beware jullie.

 

Maä salamee