DAGBOEK UIT TIBNINE (01)
donderdag 12 juni
2008
Een gewone
doordeweekse donderdag ware het niet dat er een vrijdag opvolgt die niet
doordeweeks is: vertrek naar Melsbroek en het begin van
een zending in Libanon die wel een tijdje zal duren. De laatste voorbereidselen
worden getroffen: een bezoekje aan ons Jacqueline met de familiefoto’s van
gisteren en aan deken Amand, eitjes bakken en broodjes smeren als lunchpakket
voor morgen, een laatste ritje met Yama (mijn moto)
en hem op logement brengen bij André en Erna, de avondviering in ons kerkje en
dan naar de geburen die ten huize van Nicole de pil van het afscheid vergulden
met picon, broodjes, kaas en wijn..., nog enkele
ultieme richtlijnen voor post en eventualiteiten, ... en toch noch na twaalven
doodmoe mijn bedje induiken voor enkele luttele uurtjes slaap...
Vrijdag 13 juni
2008
...maar de wekker
die gereed staat om geweldig te keer te gaan wordt voortijdig de mond gesnoerd
en krijgt geen kans om mij om vier uur uit de droomwereld terug te roepen want
ik neem zelf het initiatief in handen en wip de douche in. Met het desertplunje dat ik aan trek zal ik voortaan deel uit maken
van een groep mensen met een heel bijzondere missie; tegelijkertijd besef ik
dat ik een stuk vrijheid inruil voor het samenleven in groep en voor het
specifieke van een militaire zending.
Klokslag 4.45 uur
gaat de deurbel en groet ik de onderofficier van het CCMed
(Leopoldskazerne in Gent) die mij naar Melsbroek brengt. Nu is er geen weg meer terug.
De klaarstaande
reistassen en rugzak wegen als lood maar geen gezeur, er is plaats genoeg in de
Megane van de kolonel, en na een kleine détour via nr 11 waarvan de
bewoners in vliegende vaan op straat staan en lang nawuiven, snellen we de E40
op. Het is 4.55u.
35 Minuten later
zoeken we een parkeerplaatsje bij de incheckbalie van de militaire luchthaven.
Wij zijn veel te vroeg en het wordt wachten geblazen vooraleer ik kan
inchecken. Ik heb al heel sterk mijn best gedaan tijdens de voorbije jaren om
mij één van de belangrijkste militaire deugden eigen te maken: “haast je én wacht!...
Langzaam komen de
andere Belufil’ers opdagen, meestal per detachement,
sommigen vergezeld van hun lievelingen; de meesten hebben thuis of in de
kazerne afscheid genomen. Tegen 6.30 uur worden we via een open loods waar de
koude gure wind vrij spel heeft via een kleine smalle doorgang binnen gewurmd
in de incheckruimte. De bagage wordt stuk voor stuk op de weegschaal geplaatst
worden, gelabeld en in de kortste keren is alles gescand en via het rolsysteem
verdwijnt ze uit ons blikveld.
Een rugzak met
proviand en drank, een fototas en een laptop sleur ik mee naar boven.
‘Voor de kolonel’
zegt de adjudant mij, als hij een foto maakt van mijn gezicht; zou ik er
uitzien als een gevangene maar dan zonder registratienummer?
‘hier een
stralingsmeter en teken daar af, a.u.b.’ zegt een tweede.
Oef, ik ben er,
en nu ‘wachten’ want de vlucht is gepland om 9 uur.
Veel verveling is
er niet want trouwe Guido, de secretaris van onze aalmoezeniersdienst, komt mij
uitwuiven en groet mij namens Johan, de ‘opper’ die een dagje vrij heeft. En
natuurlijk is mijn zus en schoonbroer er: ik herinner mij geen zending die
begint zonder hen. De koffie smaakt lekker, de stemming in het cafetaria is
goed, en het wachten duurt niet lang in goed gezelschap. Toch nog een laatste
foto op het terras met zicht op “Zaventem”, de
burgerluchthaven, en dan vlug de douane door, op weg naar de airbus, bestemming
Beiroet.
Ik ben terug de
laatste in de rij.
Even nog
nawuiven, stil en ongemerkt een traan met de mouw afvegen, en de trap afdalen
naar het tarmac, terwijl honderden ogen op het terras
ons willen vasthouden, maar de opdracht wenkt... en we gaan er voor!
Adieu, klein Belgenland, waarvoor 15 juli een “alles-of-niets”
wordt, een land met of zonder regering, samen België-zijn
of verdeeld worden in regio’s die toch niet zonder elkaar kunnen.
Adieu,
lievelingen, tot binnen vier maanden; het moge jullie allen goed gaan!
Zoals bij de eerste
zending landen we iets na 13.30 uur op de internationale luchthaven van
Beiroet, na een vlotte vlucht waarbij ons zelfs drank en een warme maaltijd
werd aangeboden. Toen schreef ik in mijn dagboek: “De landing over zee en stad
was spectaculair; ik vermoed dat er geen geluidsnormen bestaan en geen
buurtcomités die de luchthaven willen sluiten, maar onze ‘laagvlieger’ liet ons
bijna binnenkijken in wat wij veronderstellen achterkeukens te zijn van de
huizen die afwisselend hoog optorenen, dan weer omringd zijn door prachtige
tuinen met luxe zwembaden; nu eens aan de branding van de zee staan, dan weer
ingebed zijn op de heuvels rondom de stad.
Weer beperken de
formaliteiten zich tot een alfabetische paspoortcontrole en op een wip staan we
buiten de luchthaven.
Witte bussen van
de UN brengen ons naar een parkeerplaats ... om te kunnen ... wachten in een
temperatuur van meer dan 30°, zonder schaduw, zonder stoel of bank, ... tot 21
uur! Flessen water zijn er in overvloed Tussen vrachtwagens met containers die
met ons naar het zuiden zullen rijden vind ik een veldbed waarvan de eigenaar
niet te zien is. Er is wel een beetje schaduw maar de verstikkende hitte is ook
hier heer en meester. Ik waag het mij neer te leggen, en omhoogkijkend zie ik
een streep blauwe lucht, afgeboord door de witte containerranden. Dit wordt
mijn eerste foto: een stilleven. Ik geniet ervan en geraak niet uitgekeken.
Rond 20 uur komt er leven op de parking: motoren worden aangezet (ik denk om de
afnemende hitte te compenseren), groepjes staan pratend bij elkaar, bevelen
weerklinken, in de bussen worden plaatsjes uitgekozen en ingenomen met voorkeur
aan een open raam, tot iets voor 21uur de colonne zich in beweging zet richting
Tibnine, zoals het hoofdkwartier in Naqoura alles
heeft bepaald, een ritje van een drietal uren.
Tibnine ligt in het
zuidoosten van Libanon, op ongeveer 15 km van de Israëlische grens, en een
25-tal km van de Middellandse zee. Onze compound ligt tegen een heuvel aan en
wordt gedeeld met een Pools logistiek detachement van ca 70 soldaten. Ons
Belgisch detachement van 370 officieren, onderofficieren en
beroepsvrijwilligers komen uit een eenheid Gidsen-Verkenners,
uit Genie, een medisch detachement, een logistieke eenheid en een groepje CIS’ers (communicatie-informaticasystemen).
Met onze aanwezigheid, in het kader van de UNO-resolutie,
willen wij de burgerbevolking van Libanon, en dan vooral in onze regio,
ondersteunen met het detecteren en onschadelijk maken van mijnen en
niet-ontplofte tuigen, onze ‘engineers’ voeren
structurele taken uit, zoals grondwerken, ons medisch detachement staat ten
dienste van de Unifil-legers en de burgerbevolking
met een heus hospitaal, en dit gebeurt alles in een vriendelijke sfeer met
respect voor de eigenheid van de bevolking. Het detachement Gidsen beschermt
alle Belgische soldaten in de uitvoering van hun taken (Force
protection FP).
Bij aankomst rond
23.40 uur wacht ons een ontvangstcomité, aangevoerd door de CO kolonel De Wolf,
dat ons de eerste richtlijnen geeft. Nadien kunnen we terecht in de messtent
voor een lichte maaltijd. Kort daarop zoek ik onze voorlopige tent op en
installeren mij een beetje. Vanaf zondag, na de laatste rotatie, krijgt
iedereen zijn definitieve tent toegewezen. Ik zal met de RMO (psycholoog) een
tent delen.
Het Libanon-avontuur is begonnen.
zaterdag 14 juni
2008
Vóór vijf uur
word ik reeds gewekt door de zonnestralen die onze tent, op het hoogste punt
van het kamp, zacht omhelzen. Ik ben één van de eersten om de nieuwe dag te
begroeten.
Geen
spectaculaire zonsopgang met heftige stralen van rood en geel maar een zon die
behoedzaam van achter de kim kruipt, zacht en nederig, maar niet tegen te
houden, een zon die groeit en groeit en een betoverende witgoudenwaas
weeft rond heuvels en dorpen, die mee langzaam uit de anonimiteit van gisteren
ontwaken en zich al vlug badend in het weldoende licht koesteren en uitrekken
en meetuimelen in een wervelende dans van kleur en
klank, ... een nieuwe morgen is geboren. Ik herinner me een gelijkaardige zonsopgang
op weg naar Zuid-Afrika, toen ik vanuit het vliegtuig de geboorte van een
nieuwe dag mocht meemaken, terwijl Haydns’ Schöpfung door de koptelefoon mij helemaal in vervoering
bracht. Ook nu hoor en zie ik :”en God sprak: het worde licht... en het werd
licht...” en ik dank wel duizendmaal voor dit éne
moment. Ergens ver priemt een minaret als een naald door de horizon en roept op
tot gebed en bevestigt wat elke mens moet erkennen: Allahu
akhbar : God is groot!
Ditmaal geen foto
want dit wonder laat zich niet ‘vast’leggen, maar ik
geniet van een eeuwige schoonheid waaraan de meesten onverschillig voorbij
lopen. Ook in 2006 schreef ik: “Wie laat zich nog raken door het grootste
overwinningslied op de dood dat ook zonder menselijke tussenkomst eindeloos blijft
klinken? Zo een dag kan niet meer stuk. Mijn zending start onder een goed
gesternte! ik neurie het zegelied mee en telkens weer welt het van binnen op en
komen de woorden voor mijn geest: “Mijn God, wat een vreugde, mijn God wat ...”
Het voordeel van
een tweede zending op de zelfde plaats is natuurlijk dat je er ‘je weg’ kent.
Je weet waar je moet zijn voor dit of dat, wie waar zit en met wat hij of zij
zich bezighoudt. Ik moet mijn extra beschermingsmateriaal afhalen (gasmasker
incluis), een blauwe UN-overtrek voor de helm, en
andere security-gadges. Het liefst had ik mij nu
ergens neergezet en als observator het drukke schouwspel gadegeslagen van een
zending die zo stilaan op kruissnelheid komt, maar de groeiende hitte van deze
voormiddag doet mij een toevlucht zoeken in het lokaaltje dat ik terug vier
maanden lang zal delen met de RMO : hier blijft het relatief fris, hoop ik ...
Op weg daarheen geraak ik in de ban van het drukke gedoe van door elkaar
wriemelende mensen en voertuigen die zich van her naar der begeven, lasten
verplaatsen, containers hoog in de lucht tillen en zacht neerzetten op de
juiste plek; de dagelijkse opdrachten van water halen voor de bevoorrading van
keuken en sanitair is nooit stil gelegd, ook niet bij een wissel, schildwachten
beveiligen elke toegang, staan bezoekers vriendelijk te woord en groeten al wie
voorbij komt. In de werkplaatsen zijn onze mekaniekers
op post; en ook in het hospitaal gaat alles zijn gewone gang, alsof er geen
wissel geweest is.
Na het middagmaal
zoek ik mijn verblijf-van-nog-één-nacht op, en hoop
een beetje te siësten, maar de hitte dringt door het
tentzeil en geeft de airco geen kans. Het moet een 34° zijn, verneem ik later
op de dag. Morgen is het zondag en ik ben benieuwd of ik bekenden zal terug zien;
zou Maurice, de pastoor er nog zijn én Gerios, en de anderen ;;;? Het zal deze avond geen 24 uur
worden vooraleer ik in bed kruip, ik wil een beetje ‘bij’slapen.
zondag 15 juni
2008
Gisterenavond
moesten de ‘kerkgangers’ zich vóór 20 uur kenbaar gemaakt hebben, maar ik
vermoed dat op dit tijdstip de meesten nog niet gebriefd
waren en zich niet konden opgeven, want slechts twee officieren melden zich om
onder escorte van de FP (Force protection)
naar de kerk te gaan.
Het weerzien met
Maurice is hartelijk: met de nodige kussen en omhelzingen zoals gebruikelijk in
de Arabische wereld word ik welkom geheten en opgenomen in de lokale
gemeenschap die stilaan de kerkruimte vult en mensen laten duidelijk merken dat
ze mij herkennen met een glimlach of een opgestoken hand. Het is plezant dat
hun welkomswoord “Ahlan wa sahlan” betekent “je bent van
de familie en voel je thuis” en dat ze dat ook menen. Ik zal zoals voorheen
concelebreren, en bepaalde teksten in het Frans bidden. Na de viering van de
byzantijnse liturgie in de Arabische taal, je weet wel: de christenen zijn hier
Melkieten of Grieks-Katholieken,
blijven we nog een tijdje buiten aan de kerk staan en drukken handen van
bekenden. Bij pastoor Maurice worden we genodigd op de koffie en met ons zitten
ook een paar Libanese soldaten aan. Ik krijg al vlug de opdracht om volgende
week zondag te preken wat ik niet ongraag aanneem. Allerlei nieuwtjes worden
uitgewisseld, en één van de officieren, een Franse chirurg die bij ons in het
hospitaal werkt, is sterk geïnteresseerd in de situatie van de christenen ter
plaatse. Maar tegen 11 uur moeten we opstappen om tijdig in de compound te
zijn. Tot volgende week, abouna!
We eten friet met
steak en kunnen ons te goed doen aan een saladebuffet, en natuurlijk een waaier
aan verse vruchten als nagerecht.
Deze morgen zijn
de laatste Belufil’ers van de 5 vertrokken en Steve, de RMO, heeft onze tent al in gereedheid gebracht.
Ik heb hetzelfde plekje in de tent als vorige keer, en ook dat schept weer het
gevoel van ‘thuis’ te zijn, ware het niet van de hitte die mij ongenadig
afjakkert, en tot in de tent haar meesterschap
bevestigt. Arme
lieve airco, doe eens wat meer je best! Mijn T-shirt is net een spons die zich
volgezogen heeft met de resultaten van een koffer ledigen in ‘dwangarbeidstijl’.
Nog een stuk om naar de wasserij te brengen.
Tegen 16.30 uur,
het uur van de dagelijkse briefing, is de zon over haar hoogtepunt heen en een
koel windje laat mij een nieuwe adem vinden. Ik denk nu aan de laatsten die op de parking in Beiroet wachten om naar ons
te komen; tegen 21 uur zullen ook zij aanzetten. Ik gun hen ook een beetje van
onze wind, maar ik vrees er voor dat er ginds een frisse zeewind opsteekt.
Volhouden, mannen, wij verwachten jullie met open armen. Welkom in Camp Scorpion!
maandag 16 -
dinsdag 17 juni 2008
De dagen gelijken
als twee druppels water op de dagen van oktober 2006-februari 2007: de zelfde
opdrachten, de zelfde organisatie, in grosso modo de zelfde afspraken, maar het alarmstadium waarin wij
ons bevinden vraagt toch om bijzondere aandacht, én
dat maakt wel het verschil. Niet dat ik het niet zal overleven!
Deze namiddag was
er de traditionele “blue-screen” waarbij een
alarmsituatie ingeoefend wordt. Hopelijk blijft het bij een oefening! Maar we
mogen niet blind zijn voor mogelijk gevaar. Ons commando laat niets aan het
toeval over!
woensdag 18 -
donderdag 19 juni 2008
Kolonel Dany, de commandant van Belufil 6
vraagt me mee voor een verkenningsronde in sector West, dat is de regio van aan
de Middellandse Zeekust tot aan de oostgrens met Israël. Langs de wegen in de
dorpen hangen de portretten van de imams, van Libanese vrijheidsstrijders die
als martelaren geëerd worden, van de leiders van Hezbollah
en Amal, en de gele vlaggen met groene logo’s
wapperen strijdlustig in de wind alsof ze duidelijk willen maken dat hun
organisaties levenskrachtiger zijn dan ooit.
Het valt me op
hoe in vergelijking met de eerste zending overal het puin geruimd is, terwijl
het aantal woningen, of moet ik zeggen “paleizen” dat in aanbouw is of reeds
voltooid ernorm is. De wederopbouw is overduidelijk
en dat bevestigt wat ik vroeger schreef: dat de Libanezen
over een onvermoeibare werkkracht beschikken en een ijzeren wil om niet te
buigen voor de agressor en te laten zien dat er, ondanks alles, geld en
middelen beschikbaar zijn waarvoor ondermeer Hezbollah
tekent.
Af en toe rijden
we door dorpen, soms zelf doorheen de wekelijkse markt die in de hoofdstraat
gehouden wordt en waarbij wij rakelings langs de kleurige kraampjes rijden en
moeten oppassen niet ‘bevlagd’ naar ons kamp terug te
keren. We maken even halt bij Indobatt, dat is het
kamp van de Indiërs, gelegen naast de ‘blue line’, de
grens met Israël. Over het graf van een sheik is de
grens getrokken want van beide kanten wordt het graf bezocht en vereerd. Het
doet hoogst eigenaardig aan hier te staan, en voor je de ‘ijzeren muur’ en
daartegenaan gebouwd een reusachtige controlepost te zien met radar en camera’s
als een alziend oog dat de hele regio in zijn macht heeft. “Dat we nu ook op de
foto staan bij de Israëli’s” zal mij geen zorg zijn: door mijn bezoeken aan
“ons Heilig Land” zullen ze van mij wel genoeg prentjes hebben om een album vol
te plakken.
Vandaag donderdag
doe we de rit over in sector Oost, maar we zijn nog niet ver gevorderd als de
chauffeur van ons voertuig een defect constateert. Bij het stijgen kruipt de
kolos van méér dan 7 ton voetje voor voetje vooruit
en meerdere keren rijden we op de bochtige weg achterwaarts terug om zo
voldoende aanloop te kunnen nemen, maar boven blijken de remmen dan weer niet
meer zo goed te functioneren, zodat we een veilige parkeerplaats vinden, met
zicht op de ‘Blue line’ en via radioverbinding wordt
een hulpploeg gevraagd. Ons voertuig wordt weggetakeld
en wijzelf keren met een personenvoertuig terug naar het kamp.
Sector oost zal
voor een andere keer zijn!
Deze avond
telefoneer ik mijn zus Jacqueline die niet via mail bereikbaar is, en ik wens
Nicole een gelukkige verjaardag toe. Zij is mijn bovenste beste buurvrouw (niet
moeilijk zal je zeggen, want voorlopig is er toch maar één) en weer is ze een
jaartje ouder dan ik; ben ik mis wanneer ik stel dat er morgenavond wel een
leuk feestje gebouwd wordt ? Dan zijn de examens voor Joachim en Stijn voorbij.
Ook vriend Wim uit Dendermonde wil ik hartelijk
feliciteren, maar hij is onbereikbaar. Wij bezochten samen een aantal keren
Israël: we delen veel inzichten en maken vaak de zelfde keuzes. Wim, hou je
goed en drink er maar één op jouw en mijn gezondheid!
vrijdag 20 juni
2008
Ik begin vandaag
mijn dagboek te schrijven of bij te werken, en zorg er voor dat mijn inspiratie
om een Franse preek uit te schrijven de vrije loop krijgt. Het evangelie dat
overmorgen gelezen wordt is het genezingsverhaal van de lamme in Kafarnaüm. Ik vind een paar goede invalshoeken en probeer
in mijn keurigste Frans een vlotte tekst neer te zetten. Alles samen kruipen er meer uurtjes in dan ik
gedacht had.
zaterdag 21 -
zondag 22 juni 2008
Morgen zondag
wordt in Beiroet de zaligverklaring gevierd van Khalil
Haddad die beter gekend is als Frère Jacques de Ghazir. Deze kapucijn wordt
vaak genoemd als de Libanese Vincentius à Paulo omwille van zijn inzet voor de armen. Hij werd
geboren in Ghazir in 1875 en stierf als stichter van
de vrouwenorde ‘Franciscanessen van het Kruis van Libanon’ in 1954. Kardinaal
José Martins, prefect van de Romeinse Congregatie
voor de heiligen en de Maronitische patriarch kardinaal Nasrallah
Sfeir zullen de feestviering voorzitten. Voor de
christenen in Libanon is dit ‘de’ hoogdag van het jaar. Er wordt veel volk
verwacht op het ‘plein van de Vrijheid’. Zal het rustig blijven in Beiroet of
komen er schermutselingen van?
In Tibnine zijn
de christenen meestal Grieks-Katholieken.
De Grieks-Katholieke kerk (of de Melkieten)
gaat terug naar de kerk van de Apostelen, heeft de Byzantijnse liturgie gemeen
met de Orthodoxen, maar dan in de volkstaal, en wordt geleid door bisschoppen
en patriarchen die door Rome benoemd worden, zij maakt dus deel uit van de Katholieke
Kerk. De synode is het belangrijkste beleidsorgaan, voorgezeten door Gregorios III (Mgr. Lutfi Laham), patriarch van Antiochië,
Alexandrië, Jeruzalem en van heel het Oosten. Jullie weten dat deze kerk mij
nauw aan het hart ligt omdat zij ook in Palestina en Israël aanwezig is, en wie
kent niet aartsbisschop Elias Shakour in Galilea, of
Emile Shoufani in Nazareth?
Als ik er over
vertel aan tafel is het voor velen een verrassing te horen dat er in de
Katholieke Kerk van Rome plaats is voor gehuwd priesterschap. Zo zie je maar.
Omwille van de
veiligheidsstatus dragen we een beschermjas onder het hemd en worden door de Force Protection begeleid naar de
kerk. Wij lopen vooruit, een gepantserd voertuig achter ons. Niet te
verwonderen dat ik druipnat van het zweet aankom, en mij moet bekleden met de
liturgische gewaden die zeker niet voor de nodige verfrissing zorgen. De
viering in het mooie eenvoudige kerkje bruist van enthoesiasme
en iedereen zingt en bidt mee. Er is veel volk bijeen. Mijn preek wordt na elke
paragraaf in het Arabisch vertaald, en zo te zien luisteren de mensen
gespannen. Ook Maurice is opgetogen en vraagt mij om volgende week terug de
homilie te verzorgen op het feest van Petrus en
Paulus. Kan ik “nee” zeggen?
Geen siëst na het middagmaal want alleen reeds denken aan de
temperatuur in de tent doet mij het zweet uitbarsten. In de relatieve koelte
van ons kantoortje (31°) hou ik mij bezig met wat lectuur, koffieklets... tot
de nieuwe ‘blue screen’-oefening om 14.30 uur, iets later de avondbriefing en
een gevarieerde kaasschotel als avondmaal.
Zo lievelingen,
de eerste tien dagen zitten er op. In begeleiding van dit dagboek steken geen
foto’s omdat het bestand te zwaar wordt, maar alle pics
vinden jullie onder http://picasaweb.google.com/tibnine in de map “2008".
Jullie kunnen mij
normaal mailen op renaat@renaat.be en mochten jullie
andere mensen kennen die graag mijn dagboek ontvangen, geen probleem: zend mij
hun emailadres en per kerende zijn zij bij de
geadresseerden.
Ik groet jullie
allen hartelijk, moge het jullie allen goed gaan, ...
en God zegene en beware jullie.
Maä salamee
Renaat
DAGBOEK UIT TIBNINE (02)
maandag 23 juni - 24 juni 2008
Vandaag zijn wij tien dagen in Libanon, en onze zending
verloopt gesmeerd; iedereen heeft zijn draai en keer gevonden, is geïnstalleerd
en de uitvoering van de opdrachten begint trekjes van routine te vertonen. De
waakzaamheid van de Force Protection
aan de ingang van de compound en in de begeleiding van voertuigen naar de
werven geeft aan iedereen een veilig gevoel. In het hospitaal is er de gewone
drukte van mensen die komen en gaan: onze eigen Belufil’ers
die voor één of ander klein ‘zeer’ zich laten vertroetelen, Fransen, Italianen,
Portugezen, Indiërs, Chinezen... en natuurlijk de inwoners van Tibnine en uit
de omliggende dorpen zijn dol van de formule ‘gratis-geneeskunde-voor-het-volk.
Ik kan mij zo voor stellen dat “Tibnine en omgeving” voor
jullie weinig zeggen, daarom enkele gegevens die ik van de officiële website
van Tibnine haalde en graag voor jullie vertaalde:
Tibnine is gesitueerd op 110 km ten zuiden van Beiroet en op 30 km ten
oosten van Tyrus. Het aantal inwoners bedraagt
15.000, waarvan een 4.000 ter plaatse en de rest is verstrooid naar Beiroet en
naar andere landen , vooral naar de USA en naar Afrika. De meesten echter die
buiten Tibnine wonen, keren in de zomermaanden terug en nemen vakantie in
Tibnine, omwille van zijn mild klimaat en zijn natuurschoon. Het aantal
families in Tibnine bedraagt ongeveer 52.
De bronnen in Tibnine worden beschouwd als natuurlijke rijkdom en worden
bezocht door velen die in de omliggende dorpen wonen. De belangrijkste van deze
bronnen zijn : Ein Al-Mizrab,
Ein Al-Hoor, Ein Al-Wardeh en Ein Al-Khan.
Wat Tibnine aantrekkelijk maakt zijn de goed uitgeruste voorzieningen voor
Gezondheidszorg, die ook ten dienste staan van de naburige dorpen. Een zeer
belangrijke inrichting die gerenoveerd werd is het publieke hoofdhospitaal.
Andere instellingen zijn het Libanese Rode Kruis en de UN-klinieken
, alsook het Ministerie van Sociale zaken.
Enkele van Tibnine’s toeristische en aloude
attracties zijn natuurlijk het fort, de oude historische huizen en het
pijnbomenbos (al-mashroua al-akhdar).
Als we voor het kasteel staan merken we dat zijn hoogteligging 750 m boven
de zeespiegel, ons aanspreekt. Het bestaat uit vier torens die met elkaar
verbonden zijn. Het doorstond de test van de eeuwen tot 1965 en was een
geschikte locatie voor het leger, omwille van zijn vele ondergrondse tunnels.
In Tibnine vind je ook veel oude huizen, waar veel zorg wordt voor gedragen
omwille van zijn waarde en cultuur.
Tibnine is ook fier op één van de beste picnic-plaatsen.
Al-mashroua al-akhdar (het
pijnbomenbos) is de belangrijkste in zijn soort in Zuid-Libanon
en mensen uit de omgevende dorpen komen er op bezoek en brengen hun vrije tijd
door en genieten van de prachtige omgeving, vooral nu de weg verhard is en er
sportvelden en picnictafels zijn geplaatst.
Finaal is een bezoek aan Tibnine zonder betekenis indien de Souk al-Jomaa (vrijdagsmarkt)
niet op het programma staat. Bij een bezoek aan de soek zou je kunnen denken
dat Tibnine versierd is om een belangrijk persoon van hoge rang te groeten.
Sinds 1892 is het veruit één van de beste soeks in de streek en mensen komen
van overal om er rond te neuzen en te shoppen. De soek maakt inderdaad deel uit
van Tibnine’s rijke geschiedenis.
Daarbij telt Tibnine nog vele voorzieningen zoals handelszaken,
bestuurlijke centra en veel cafés en restaurants.
(This text translates
one that originated from Tibneen’s municipality on
January 1, 2003, by Intissar Dakroub
Harajili; second translation into dutch
by padre Renaat)
Over het kasteel wil ik in een volgend dagboek
uitvoeriger berichten.
De zondag verloopt heel rustig: in de voormiddag zijn er
nog wat onderhoudswerken /werkjes aan voertuigen en materiaal, ‘s namiddags
kunnen de meesten met sport en sociale contacten (telefoon, mail, ...) er een
echte ‘zon’dag van maken.
dinsdag 24 - woensdag 25 en donderdag 26 juni 2008
Nu de alledaagse trant zich doorzet, en de spanning van
de start van een nieuwe zending is weggeëbd, merk ik bij me zelf hoe vaak ik
vergelijk met de eerste keer toen we in Tibnine arriveerden.
In ons kamp is nauwelijks iets veranderd: de logementstenten staan er nog steeds (zouden vervangen
worden door containers), de keuken is nu geïnstalleerd op het plateau dat onze “geniakken” hadden aangelegd, de mess en de overige
infrastructuur bleven ongewijzigd. Het wegennet naar en tussen het logementsgedeelte is nieuw geasfalteerd. Maar nu worden
nieuwe werken uitgevoerd, onder meer de aanleg van een afwateringssysteem,
waarvoor het asfalt moest uitgeslepen worden om er nadien greppels in uit te
graven, waarin buizen worden gelegd die verzamelputten zullen verbinden, en zo
zal het overtollige water kamp Scorpion verlaten aan
de ingang Zuid. Kan je je voorstellen wat een rumoer
(soms oorverdovend) dit meebrengt?
Bij de eerste zending schreef ik: “
Voor mij is het een lastige tijd: na meer dan twee
maanden ben ik geobsedeerd door het alom aanwezige lawaai, en ik hunker naar
stilte, ... Overal waar je staat, zit of ligt overweldigt je het dreunen van
een of andere motor, een generator, het eentonig snerpend schrepen
van een slijpschijf, vrachtwagens die ladingen stenen en rotsblokken storten
voor het terras van de nieuwe keuken, maneuvrerende
bulldozers, ... wat natuurlijk niet anders kan bij de opbouw van een compound.
In je tent en in de mess is er de verwarmingsblazer die de vochtigheid en de
kilte buiten houdt, maar daarvoor moet je een prijs betalen aan stilte; en als
je eindelijk indommelt kan de ‘honey-car’ (beerkar)
je een extra toemaatje oorverdovend ‘tumult’ bezorgen, want de sanitaire
installaties liggen achter de tent...”
De verwarming staat nu uiteraard niet aan, maar het zijn
de airco-installaties in en rond de tenten die proberen ‘de warmte‘ buiten te
houden...
Nog altijd zoek ik wat voor mij essentieel is en wat ik
hier niet vinden kan: de stilte.
Daarom ook is het tochtje naar de kerk een ware
verademing, van bijtanken, van even genieten van vrijheid, van anders-leven... De byzantijnse liturgie is een handreiking
naar het goddelijke, een confrontatie met het Heilige en met alle heiligen. Ik
laat mij erdoor raken!
Dan denk ik vaak aan de mensen in Landskouter die zich
opmaken om naar de wekelijkse viering te komen. Ik twijfel er niet aan dat
alles pico bello zal
verlopen, Nicole en Erna en zovele anderen zullen
blijven voortdoen en ons kerkje als een kostbaar pareltje koesteren, ons orgel
zal de kerkruimte vullen met zijn grandioze klanken “God-ter-ere”
(is het zondag niet de laatste keer dat Sylveer komt spelen? Bedankt, Sylveer,
voor de fijne samenwerking), ons kerkbestuur dat als een zorgzame huisvader
waakt én ‘bidt’, mijnheer Jozef die mij vervangt en
glundert als hij niet moet preken, ‘mijn’ misdienaars die nu vakantie hebben,
... ik denk niet dat er iemand is die mij mist. Ik voel mij met hen verbonden
en bid en zing met hen mee in gedachten.
Vandaag 26 juni: deze dag doet mij altijd denken aan de
verjaardag van ons mémé, de moeder van ons ma.
Geboren in 1881 werd ze 84 jaar toen ze in 1965 bij ons thuis onverwacht
overleed. Wij vonden haar levenloos in bed op 3 juli, de dag waarop ik naar het
seminarie trok waar alle priesterkandidaten bijeenkwamen voor enkele proeven en
een gesprek met de bisschop. Ik was zo onder de indruk van haar afsterven dat
ik niet tot een gesprek met de bisschop in staat was en ook zonder proef naar
huis terugliep. Mémé, ik koester nog het plantje dat
ik op je koertje vond toen jouw huisje in de Maria-Hendrikastraat
werd leeggemaakt. Naast een foelaarke (sjaaltje) van
jou spreekt vooral wat uit jouw plantje is gegroeid: een zevental bromelia’s
die flink gedijen, nieuwe scheuten zetten voor het ‘nageslacht’, en die op
bijzondere tijdstippen bloeien. Iedereen verwondert zich daarover. Weet je,
telkens ik ze water geef, denk ik weer aan de eenvoudige maar hartelijke vrouw
die jij waart, ... en voor ons blijft. “Een gelukkige verjaardag, mémé, en de rest is in de kerk” zou tante Mietje gezegd
hebben.
vrijdag 27 juni 2008
Ons logementsgedeelte bestaat
uit een viertal niveaus, waarvan op de bovenste twee niveaus en het onderste
niveau de tenten netjes gelijnd staan. Op het derde niveau zijn de sanitaire installaties
ingericht: toiletten, wasruimtes en douches, naast enkele tenten. Wil je van
het onderste naar het bovenste plateau, dan kijk je tegen een vrij steile klim
aan, en als je dit dagelijks veelvuldig doet, garandeer ik je een goede
conditie. Aanleunend bij de sanitaire blokken, staan de containers van de
wasserij: de industriële wasmachines en droogkasten worden bediend door mensen
uit Tibnine; zij zorgen er voor dat de persoonlijke was van de 370 militairen
netjes kastklaar afgeleverd wordt, en wie zijn waszak ‘s morgens binnenbrengt vóór
9 uur, kan die na 16 uur terug afhalen. Mocht je denken dat dit een grote luxe
is waarvan je thuis alleen maar kunt dromen, dan moet je weten dat het werk dat
hier verricht wordt én de omstandigheden van
temperatuur en stof een goede hygiëne vereisen, en die hygiëne begint met een
regelmatige wasbeurt en frisse kledij.
Gisterenavond hoorde ik de kolonel zeggen dat er vanaf
vandaag naar de markt in Tibnine kon gegaan worden. Dat bericht verheugde mij
enorm, omdat zo ‘n bezoek de kans bood mensen weer te zien, even gedachtenlood rond te kuieren en de gezellige drukte in
acht te nemen; Maar mijn ontgoocheling was zeer groot toen de wacht ons
tegenhield, met de vermelding dat we ons op donderdagvond moesten ingeschreven
hebben. Wie of waar en wanneer deze regel was bekend gemaakt, wist ik helemaal
niet, maar de jongens aan de wacht voeren het bevel uit, dus moet het zo maar
zijn. Jullie die mij kennen weten wel hoe ik met dat soort omstandigheden omga:
‘chinees klasseren’, maar die vrijdag was voor mij toch een beetje een ‘zwarte
vrijdag’. En het gebeurt wel vaak dat info die van boven naar onder of van
onder ook naar boven zou moeten gaan, zijn weg niet vindt, en dan sta je daar:
onwetende. Maar ja, ik ben ook maar een éénmansdetachement
dat in de vijver van de battlegroep probeert boven
water te blijven.
Alles schijnt tegen te gaan vandaag, want als ik mijn
petekind Bart probeer te telefoneren en hem wil feliciteren met zijn 25 lentes,
geeft ook hij niet thuis. Ik stuur hem dan maar een digitaal kaartje met
bijhorend deuntje. Bart jongen, of moet ik Meester zeggen (Bart studeerde
rechten en werkt als advocaat aan de Gentse balie): van harte proficiat. Hier
in Libanon zingen de mensen ‘sanah hilwah, ya Bart, sanah hilwah ya
Bart, sanah hilwah ya habibi, sanah
hilwah ya Bart (op de
melodie van happy birthday...).
zaterdag 28 - zondag 29 juni 2008
De communicatiemiddelen hebben de kinderziektes
overwonnen: gebruik van het draadloos netwerk waarop je kan surfen, je mail
lezen en beantwoorden, foto’s doorsturen, en zelfs boodschappen (chatten) met messenger of skype
behoren tot de verworvenheden van een buitenlandse zending. Ook telefoneren via
het militair netwerk naar alle kwartieren en diensten of via Belgacom-callingcard naar privénummers overbruggen de
afstand met het thuisfront (wat een woord : thuis-front
alsof zich daar de frontlinie met de vijand bevindt, en wij die dachten dat het
hier ‘ergens’ moest zijn’. Als jullie ons nodig hebben, roep maar ne keer!)
Het is 8.30 uur en tijd om te vertrekken naar de Melkitische kerk. In een natuurparkje, naast de ruïne van
een zeer oud kerkje, staat een monument met daarop de namen van 47 Ierse
soldaten die tussen 1978 en 2002 overleden zijn tijdens een UN-missie
in Libanon. Er staat ook een recent
Belgisch monument dat de dood van de drie Belgische soldaten herdenkt die vorig
jaar tijdens de zending van Belufil 2 het leven
lieten.
Weer ben ik van preek, en abouna
Maurice schikt vanaf volgende zondag er een paar weken uit te trekken om
gezondheidsredenen, en geeft mij maar het evangelie op: Mattheus
14, 14-22 of het broodwonder. Het wordt een toffe kluif waaraan ik graag begin.
maandag 30 juni 2008
Mijn zus Monique maakte mij opmerkzaam op 30 juni. Er
zijn zo van die dagen in een jaar die een bijzondere glans hebben en die geen
mens kan vergeten.
Deze dag draagt de kleur van een ‘ander leven’, een
hoogdag vol herinneringen en emoties, maar die hier in Libanon kan verschralen
tot een naamloze kalenderdag, tot een onbeduidende stip op een monotone
tijdslijn. Maar dit is moeders verjaardag en ik ben zeker dat én mijn vier zussen én mijn broer
zich herinneren hoe we altijd samen waren op deze dag: oorspronkelijk als
kinderen thuis, met onze kadootjes en zelfgemaakte
tekeningen, met een gedicht of een liedje, met ons ‘lang zal ze leven’..., de
traditionele parade van klein tot groot met zoenen en omhelzingen, de
feestelijke maaltijd, het gezellig samenzijn én
later, met de kleinkinderen erbij, een zélfde scenario,
een gebeurtenis die niemand zou gemist hebben. Na moeders plotse dood
veranderde het allemaal: wij bleven op die dag samenkomen rond pa, wij vierden
de eucharistie en dronken ‘s avonds een glas, maar vooral droegen wij ons ma in
ons hart. Had zij en pa ons niet altijd samengebracht? Zouden ze dat ook niet
blijven doen? Het was en het is alsof zij er nog altijd zijn en ik ben zeker
dat het ieders wens is mochten we vandaag bij elkaar kunnen zijn, mochten ...
dinsdag 1 juli 2008
Ik ontwaak in een droomwereld: de zon tovert een warm
oranje licht in de tent en roept bij mij een zuiderse sfeer op. 5.30 uur. Het
is geen vakantietijd, alhoewel voor velen de vakantie vandaag officieel begint,
maar kunnen opstaan na een heerlijk nachtje slapen spreekt van nieuwe reserves
aan energie en enthousiasme. Mijn tentgenoot Steve,
de RMO, hoorde ik nog niet. Zou hij de deur al uit zijn? Ik betwijfel het. Ik
zie hem straks bij het ontbijt.
Het wordt een alledaagse Tibninedag
zonder franjes tot ... Gerios aan de wacht staat.
Jullie kennen Gerios nog wel, de man uit SafadEl-Batikh, verantwoordelijke in de kristelijke
gemeenschap aldaar. Zijn huis werd tijdens de oorlog volledig plat gelegd en
hij en zijn gezin trok in bij zijn schoonmoeder. Hij zorgde er voor dat het
eucharistisch brood naar Landskouter kwam via de militaire weg, en op die
manier is er een verbondenheid tussen de christenen van Landskouter en van groot-Tibnine.
Hij is vergezeld van zijn schoonzus en zijn jongste zoon.
Wij drinken samen een frisdrank op het terras aan mijn
kantoortje en hij vertelt honderduit over de opbouw van zijn huis, het werk
zoeken voor zijn schoonzus, de heropbouw van zijn kerkje in Safad
e.-B., over de lijdensweg die de broodjes soms moesten gaan, enz. tot de uitnodiging
valt voor een bezoek bij hem aan huis en aan de aartsbisschop in Tyrus. We spreken af dat veel mogelijk is en dat wij elkaar
binnenkort terugzien. Ik heb zijn telefoonnummer en kan hem bellen. Dag Gerios en lieve mensen, bedankt voor het onverwachte
bezoek.
woensdag 2 juli 2008
Met een kleine delegatie gaan we naar as-Sultanyia
op schoolbezoek. Wij kregen een uitnodiging om de proclamatie van de ‘afgestudeerden’
bij te wonen. As-Sultanyia ligt op ongeveer 15
minuten van Scorpion, en maakt deel uit van groot-Tibnine.
De school geeft opleiding aan volwassenen met een
handicap en leert hen zelfstandig in het leven te staan.
Aan de infrastructuur van de scholen kan niets toegevoegd
worden, tenminste bij wat ik reeds gezien heb. Deze school ligt vrij hoog
gelegen op een heuvel en beheerst een sterk glooiend en golvend landschap. De
zaal waarin de plechtigheid gebeurt mag gezien worden; vele scholen bij ons
zouden van nijd groen uitslaan.
Het is een plechtig en pakkend moment als de ‘leerlingen’
in wit en zwart onder de luide intro van Vangelis
1492 statig de trappen afdalen en rechtstaande een ovatie in ontvangst nemen.
Na enkele toespraken worden de getuigschriften uitgedeeld
aan de gelauwerden, en dan is het tijd voor een
receptie met gebak en frisdrank.
Onder de aanwezigen herken ik de commandant van het
Libanese leger, onze kolonel natuurlijk, de majoor van de Polen, en onder meer
kerkbezoekers van Tibnine die toch wel bij de vooraanstaanden gerekend worden.
Tegen het middagmaal keren we terug, een boeiende
voormiddag als je het mij vraagt.
donderdag 3 juli 2008
Weet je nog dat ik je vertelde dat 3 juli een bijzonder
dag is: de sterfdag van ons mémé en de dag waarop ik
de definitieve stap zette om priester te worden. Wat je misschien niet meer
weet is dat ik op de zelfde dag, 3 juli 1971 priester werd gewijd in de Gentse
kathedraal. Zou deze dag dan zo bijzonder zijn?
Ik zou het niet zeggen aan het alledaagse van ons
verblijf in Libanon, en ik krijg ook geen felicitaties tenzij van mijn oudste
zus, maar ja, waarom dan wel felicitaties. Het is toch doodgewoon dat je bij je
keuze blijft of niet soms???!!!
En toch wordt deze dag iets speciaals, zonder dat iemand
de band legt, want ik kan mee met een helikoptervlucht naar het hoofdkwartier
in Naqoura en terug. Nu moet je weten dat een heli
altijd mijn lievelingsvervoermiddel is geweest en dat ik als kleine jongen
ervan droomde helikopterpiloot te worden, of minstens eigenaar te zijn van zo
een tuig, liever dan van een auto.
Met mijn canon in aanslag en ondanks de wervelende wind
rond de heli slaag ik er in een paar fijne kiekjes te nemen van ons kamp en de
ruimere omgeving. Het liefst zo ik eens een recce
(verkenning) meemaken van de ganse regio, een echte foto-slag.
Wie weet zit dat er nog in!
‘S Avonds bezorg ik de kolonel een reuzeposter
van ons kamp (60x85cm), dank zij mijn CP4005.
vrijdag 4 juli - zaterdag 5 juli - zondag 6 juli 2008
Op vrijdag gaan we naar de markt, ik voor het eerst,
zonder machtsvertoon en zware wapens, en wij gaan op in de kleurrijke en
levendige bedoening die elke markt eigen is. De mensen appreciëren onze
aanwezigheid, ons snuisteren in de stalletjes, ‘you
are welcome’ opent een eerste babbel, we bedingen een
prijs, de één koopt dit, de andere dat... Met ‘Abouna’
begroeten mij enkele vrouwen en kinderen en ik herken hen uit de
zondagsliturgie, en omdat ze me reeds uitnodigden op de thee. Ook kinderen
steken hun hand op bij wijze van herkenning en lachen ronduit. Ik moet meer
naar de markt!
Na het marktbezoek keren we terug naar Scorpion-city, maar onderweg wenkt een ouder paar ons om
koffie te drinken. Zij rijgen tabaksblaren op een draad en maken sierlijke
guirlandes die nadien verschillende weken in de zon moeten drogen, om dan echt
tot tabak versneden te worden. Ik merkte reeds op dat vele stroken land beplant
zijn met tabak, en voor vele gezinnen is dit een bijkomende bron van inkomsten. Wie zei ook weer : “de één
zijn dood is de ander zijn brood?”
Het weekend verloopt geruisloos en zonder hoogtepunten,
tenzij dat je de avondwandeling door het bos en langs de weg en de kleine
hoogteverschillen die moeten overwonnen worden als dusdanig bestempelt. Ik
geniet er in elk geval van met volle teugen. Weg eeuwigdurend lawaai, weg
verschroeiende hitte, zalig de sterke indringende en zalvende geur van
pijnbomen, zalig die milde avondzon die met kwistige hand het golvende land
geeloranje tatoeëert.
Deze avond bel ik mijn zussen en broer. En in een
emotionele stemming wil ik het gezelschap van Adriaan Roland Holst en zijn “zwerversliefde”.
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind
want o, de maatloze verlatenheden,
die over onze moegezworven
leden
onder de waaie’ in de oude
wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche woord hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in de wind
ritselend langs de zoom van oudewouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind-
En laten laten wij omdat wij
eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same’ in ‘t oude
waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom – voor we elkander weer vergeten-
laten wij zacht zijn voor elkander, kind
Zo lievelingen, de tweede en derde week zitten er op. De
tijd vliegt nu wel voorbij.
Ik groet jullie allen hartelijk, moge het jullie allen
goed gaan, ...
en God zegene en beware jullie.
Maä salamee
Renaat
maandag 7 juli - dinsdag 8 juli 2008
na een dagje dagboek aanvullen en klaar maken om te
verzenden, ga ik deze morgen met de vrienden van de CIMIC naar Ain Abel, een christelijk dorp met een Maronitische en een Grieks-Katholieke gemeenschap, voor enkele bezoeken aan de
religieuze gemeenschappen. Alhoewel ons bezoek aangekondigd was en vastgelegd
blijken de zusters in Ain Abel niet thuis te zijn. Na
telefonisch contact horen we dat ze nog in Beiroet zijn en pas later naar huis
keren en dat we een nieuw rendez-vous moeten afspreken. Onze tocht gaat verder
naar Yaroun, een ander christelijk dorp op amper 2 km
van de Israëlische grens. Ook hier is ‘moeder Overste’ niet thuis, maar zuster Samar, de directrice van de school, heet ons welkom. Bij
een kopje thee en een biscuitje wordt kennis gemaakt
en zuster Samar vertelt ons over de school en de
beperkte financiële middelen die ze heeft, rekening houdend dat de kinderen uit
de christelijke gezinnen geen schoolgeld kunnen betalen. Hun ouders behoren tot
de armsten uit de regio.
Na deze boeiende ontmoeting keren we over Bint Jbeil terug naar Scorpion.
Ondanks de vele bouwwerven in dit stadje kan je niet naast de schade kijken die
de oorlog met kwistige hand heeft uitgezaaid, en voor het eerst tijdens deze
zending is “oorlog” weer aanwezig.
woensdag 9 juli 2008
Terug op pad naar de werven waar onze geniakken
in het ‘zweet des aanschijns’ hun ding doen. De
eerste post die wij bezoeken is de werf waar het fundament voor een relaistoren
wordt gelegd: in de rotsachtige grond is een reusachtige vierkante kuil
uitgegraven van naar schatting vier op vier meter ven en één meter diep. Ik zie
de bevestigingspunten waaraan de drieënertig meter
hoge zendmast zal verankerd worden; ik zie de bekisting rondom de kuil die
straks vol beton zal gegoten worden, en onze mensen zijn nu bezig om met
aangevoerde stenen de ruimte tussen de bekisting en de buitenste rotswand te
dichten. Een kleine bulldozer brengt stenen aan en in een opdwarrelende
stofwolk bijten schoppen als kleine klauwen zich vast in de stenen om ze een
tel later in de spleten te dumpen, en telkens weer wordt alles goed
aangestampt. Reken daarbij reeds de hitte van deze voormiddag en je hebt
ontzaglijk veel respect voor die mannen en vrouwen, koortsachtig bedrijvig, om
de klus in de kortste tijd te klaren.
Van uit zuidelijke richting gaat het nu noordwaarts, ons
kamp voorbij, en terug naar een Franse compound waar onze genie een nieuwe
parking aanlegt voor al het rollend materieel. Het werk is hier anders: een
groot terrein (=enkele voetbalterreinen) is al bijna genivelleerd, dit wil
zeggen afgegraven of opgehoogd, en wordt nu bedekt met kleine steenslag als
verharding voor de bovenlaag; de afwerking gebeurt met fijn grint dat nadien
met water wordt besproeid en daardoor een beetje de eigenschap van beton
krijgt. Ook hier brandt de zon mij in de nek, wat moet het niet zijn om zonder
enige schaduw urenlang te werken, toch schijnt het deze jonge kerels niet te
deren, en met terechte fierheid stellen ze dat hun werk binnen afzienbare tijd
zal voltooid zijn, ... Een Franse officier getuigt even later dat zij op onze
mensen kunnen rekenen en ook hij drukt zijn bewondering uit voor hun werk en de
wijze waarop zij hun taak uitvoeren.
Wat reeds lang in de lucht ging is nu zekerheid geworden:
Brussel heeft beslist 30 man terug te roepen uit deze zending, zodat er nog 335
Belufil’ers overblijven. Morgen zou een contactteam
komen om de nodige gesprekken te voeren met alle verantwoordelijken, en maandag
zullen ze in Brussel verslag uitbrengen. De onzekerheid van wie wel én wie niet zal vertrekken zorgt voor een
eerder gespannen sfeer onder alle deelnemers, en nu het
feit definitief is wil de kolonel deze avond iedereen toespreken en op een éénduidige wijze uitleg geven. Nadien wordt het (bang)
afwachten of Brussel oren heeft naar de argumenten van het commando.
Als ik deze avond naar zus Jacqueline bel, hoor ik hoe
zwak haar stem klinkt: ze zegt me dat ze nu ook nog de ‘zona’ heeft, en daarvan
veel hinderlijke pijn. Ik weet niet hoe ik haar moed kan inspreken, want ze
heeft reeds een zware tijd achter zich en nu dat nog daarbij... en nu pas voel
ik wat het is “ver-te-zitten”. Zoals altijd herhaalt
ze ook nu aan het einde van het gesprek: God zegene
en beware je. Ook jou, zus!
donderdag 10 juli 2008
in de voormiddag werk ik aan de tekst voor een ‘te-Deumviering’ op 21 juli ter gelegnheid
van de nationale feestdag. Met latijn noch
gregoriaans meen ik mijn mensen te kunnen bekoren, dus schrijf ik enkele
teksten, en ik ken enkele muzikanten onder ons: die wil ik aanspreken voor de
feestelijke noot.
In de namiddag rijden we met commandant Troch naar Naqoura waar we de
werf zullen bezoeken: de aanleg van een nieuwe compound voor het hoofdkwartier.
Voorbij het huidige hoofdkwartier, gelegen aan de Middellandse Zee op het
zuidelijk punt van Libanon, tegen de Israëlische grens aan, gaat de weg eerder
steil de hoogte in. Al vlug komen we in een reusachtig oerlandschap van rotsen
en rotsen waar doorheen een wegennet is aangelegd waarop vrachtwagens rijden
volgeladen met stenen die uitgegraven worden in een lager gelegen groeve. Alles
is bedekt met een laagje fijn wit stof dat doet denken aan een bejaard
sneeuwveld, stof dat telkens minutenlang ver-wolkt na
de doortocht van een vrachtwagen. Op het oostelijk deel van het terrein zijn
onze mensen aan het werk: ook hier weer de aanleg van het wegennet dat als een
kolossale roetsbaan de toekomstige compound zal
doorsnijden en alles toegankelijk zal maken; ook hier de nivelleringswerken,
bulldozeren, egaliseren van steenslag, opvoeren van een berijdbare laag die
zelfverhardend is om nadien door een firma geasfalteerd te worden. Het
landschap dat ten westen in de Middellandse Zee lijkt te vallen spreekt de
verbeelding aan, is onwezenlijk, als behorend tot een nieuw ontdekte planeet,
en de mensen en tuigen zijn luttele dinkietoys die op
een immens speelbord manoevreren.
Ook hier weer zie ik dat onze mensen spoor-trekkers
zijn die een stuk onnoemelijke chaos ordenen en toegankelijk maken, en dit in
omstandigheden van warmte en stof waarvoor ik mijn pet afneem (mocht ik die al
dragen). Wanneer wij in het terugkeer slurpen van een lekkere cappuccino bij de
Italianen, moet ik denken aan die vrolijke stofslikkers die de eer en de faam
van ‘les petits Belges’
hoog houden.
Deze nacht komt het contactteam aan. Het worden spannende
dagen.
vrijdag 11 juli - zaterdag 12 juli 2008
Van tijd tot tijd horen we op de avondbriefing over
spanning en geweld in en rond Palestijnse kampen. In Libanon zijn ze gevestigd
rond de grote steden Beiroet, Sidon (nu Saïda), Tyrus (nu Sour), en Tripoli. Met de eerste golf van vluchtelingen uit
Palestina, toen het Israëlische leger in de aanloop naar de onafhankelijksoorlog,
een vijfhondertal dorpen verwoestte en met de grond
gelijk maakte (1948), en 750.000 Palestijnen op de
vlucht gingen naar de buurlanden Libanon, Jordanië, Syrië, Egypte, kwamen
gezinnen en families in Libanon aan, en werden er opgevangen in
vluchtelingenkampen. Sedert die tijd zijn ze er niet meer weg geweest. Alle UN-resoluties waarborgen het recht op terugkeer maar Israël
blijft dit weigeren. Na de andere Israëlische oorlogen, o.m. van 1967, zijn
weer duizenden gezinnen op de vlucht gegaan. Hun gronden zijn onteigend, een
vergoeding werd nooit uitbetaald. Dat de houding van de Palestijnen
tegenover Israël in die kampen met de jaren alleen maar verhard is, spreekt
vanzelf. Voor hen is Israël vijand nummer één, die kost wat kost moet
vernietigd worden. En elke vijand van Israël, bijvoorbeeld Hezbollah,
beschouwen ze als een natuurlijke bondgenoot. Dit staat in schril contrast met
de Palestijnen die naar Jordanië gevlucht zijn, onder
wie velen een nieuwe toekomst gevonden hebben. Men zegt soms dat in Jordanië de
helft van de bevolking van Palestijnse origine is.
Denk niet dat in alle kampen gewelddadige acties gebeuren
of dat alle Palestijnen behoren tot een eerder
fundamentalistische Islam, nee. Ik denk aan het kamp Dbaye
ten noorden van Beiroet waar onze “kleine zusters van Nazaret”,
een Gentse stichting, sociaal werk doen bij de overwegend christelijke Palestijnen.
Terwijl ik deze gedachten op papier zet denk ik aan de
tekst van Manu Verhulst:
het gebed van een christen Palestijn. Moest je het niet kennen, ik bezorg het
je hier; ik vermoed dat Manu er mee akkoord ga dat ik
jullie dit laat lezen.
Gebed van een christen Palestijn
Ik zoek U, God
Mijn handen zijn gewijd
door eenzaamheid.
Mijn mond,
als van een kind:
verwonderd,
ik versta U niet.
Ik zoek tevergeefs Uw spoor
in de geschiedenis
van mijn volk,
dat als een distel in het zand
door niemand wordt bewonderd,
door niemand wordt bemind.
Wij zijn een distel
in een droge grond
Wij kunnen dorst en pijn verdragen,
maar zouden gaarne vatten en verstaan
waarom
waarom wij een distel zijn.
Misschien hebt Gij het eerst
en lang voor ons
diezelfde vraag gesteld
Misschien waart gij die eerste distel
die in deze grond
ten dode toe
vertrapt werd
en vermorzeld.
Zijn wij misschien
uw kleine zaadjes,
gedragen door de Geest,
ontkiemd,
en onweerstaanbaar jong?
Herleeft in onze ogen
iets van Uw pijn,
iets van Uw licht?
En mag ons hart,
- het midden van de distel -
Uw vrede verder dragen
in de wereld van vandaag?
Manu Verhulst
Begrijpen jullie nu ook waarom distels geen ‘onkruid’
zijn?
Het is zaterdag. Gisteren nog even naar de markt, en
tussen de andere bezigheden door wat lectuur.
In de voormiddag rijd ik mee naar het gemeentehuis in
Tibnine waar onze mensen van de CIS-groep initiatie
computer geven aan vrouwen.
In het zaaltje zijn alle plekken achter een scherm
ingenomen en iedereen volgt aandachtig de instructieles. Straks gaat een tweede
groep aan het werk. Volgende week gaat het verder.
Met de Cimic’ers rijden we naar
Ain Abel, je weet wel waar de zusters niet thuis
waren, maar ze hebben ons gecontacteerd om vandaag te komen. Onze ontvangst is
goed voorbereid en we drinken Libanese koffie met speciaal gebak voor ons.
Nadien kunnen we een biertje drinken of een arakske
als aperitief vóór de copieuze oriëntaalse maaltijd. En met de koffie keren we
terug naar huis.
Zo een zaterdagmiddag mag er voor mij van tijd tot tijd
wel inzitten!
Wim belt op deze feestdag van de Vlaamse gemeenschap, we
zouden het bijna vergeten, en ik ben weer verbonden met Landskouter. Het doet
deugd, telkens iemand de draad opneemt, hij of zij, en mij weet te vinden. Dank
daarvoor en natuurlijk ook voor de vele mailtjes, én
de pakjes, én de post die trouw bezorgd wordt ...
zondag 13 juli 2008
Op het ogenblik dat in Leopoldsburg, Burcht of Lombardzijde de eerste familiedagen plaats vinden, zit ik
aan mijn schrijftafel en denk aan jullie allen: aan broers en zussen, aan mijn
trouwe vrienden, aan ‘mijn’ mensen van Landskouter en Oosterzele of waar jullie
ook wonen, aan de militairen uit de detachementen waarvan ik de padré mag zijn,...
Deze morgen was ik in de kerk. Maurice hield een korte
preek, maar vroeg om volgende week, bij het feest van Elia
de profeet, terug te preken.
Telkens ik de kerk bezoek kan ik het niet laten om even
rond de kerk te lopen en van daar uit het kasteel van Tibnine te bewonderen.
Het blijft een arendsnest, hoog op de heuvel.
Ik beloofde jullie in mijn vorig dagboek dat ik wat meer
over de burcht zou vertellen. Dat doe ik nu met de woorden van de officiële
website van Tibnine.
Tibnine, baken van Jabal Amel
Je kunt nauwelijks over de geschiedenis van Tibnine/Jabal Amel spreken, als je niet
over de geschiedenis van het fort
spreekt. Het Aramese volk legde de basis van het fort.
Als Hazabeel Bin Binjodod in Palestina aankomt op weg om de handelsroute van
Egypte naar de Arabische wereld te controleren, beveelt hij de constructie van
het fort in 1850 vóór Christus en noemt het ‘Tibnine’, wat in het Aramees “het
verhoogde bouwwerk” betekent. Het werd ook “Toron” of
“Tor” genoemd.
Gedurende de heerschappij van Sanharib
de Assyriër werd het kasteel in 680 vóór Christus
aangevallen en verwoest. Bij het begin van het jaar 582 vóór Christus werd het
fort opgegeven door Nebukadnezar, de Chaldese heerser als hij zijn troepenmacht richting Tyrus beweegt.
In de Romeinse periode werd het kasteel herbouwd en werd
verwaarloosd gedurende de Byzantijnse periode. Het fort kwam weer tot leven
toen de Kruisvaarders in 1099 A.D. arriveerden en het uit zijn diepe slaap deed
ontwaken.
Een ander historisch geschrift van de Europese historicus
William Alsouri bevestigt dat het fort werd gebouwd
door Hugh de St-Omer in
1105 A.D. Dank zij zijn hoge ligging met uitzicht op velden en valleien vond Hugh dit een uitstekende uitvalsbasis voor zijn aanvallen
op Tyrus en de Oostelijke gebieden
Bovendien maakte de strategische ligging van het fort en
zijn nabijheid tot belangrijke civiele en militaire plaatsen, in bijzonderheid
tot Tyrus, van het dorp een belangrijk punt in deze
periode. In het fort werden beslissingen genomen door belangrijke mensen en
heersers, van wie sommigen koningen genoemd werden.
Voor een buitenstaander was het fort van Tibnine een façade
van waaruit aanvallen en transporten werden uitgevoerd naar Tyrus
en andere strategische plaatsen. Bij de overname door de Arabieren werd het
fort echter gebruikt als een plaats van bescherming en als heiligdom.
Bovendien was Tibnine gedurende deze periode een
verzamelplaats voor de reizende karavanen van Damascus
naar de vlaktes. Tabarraya in Palestina was echter zijn concurrent omwille van de
kortere route, alhoewel de weg over Tibnine gemakkelijker was.
(uit de officiële webstek van Tibnine - vertaling renaat)
maandag 14 juli 2008
Deze dag is de beslissing gevallen van welk peloton of
sectie mensen naar huis worden gestuurd. Nog even en dan zullen ook de namen
gekend zijn. Voor sommigen moet het toch zwaar vallen om hier weg te gaan,
weliswaar niet omwille van een fout met een ‘blue-flight”,
maar dan toch met een wrang gevoel van onmacht en niet-begrijpen,
want het engagement was er om de hele zending uit te doen. Enkelen zullen in een leegte vallen als ze
thuis zijn, geen plannen hebben voor de komende tijd, anderen storen misschien
door hun onverwachte aanwezigheid midden de vakantietijd, weer anderen zien
zich voor een financieel engagement staan dat ze niet kunnen inlossen, ... en
er zullen er ook wel zijn die blij zijn te kunnen terugkeren, voor wie het al
lang genoeg geduurd heeft...
De komende dagen zullen wij met zijn allen moeten zien
dat iedereen goed opgevangen wordt. Ik denk dat sectie- en
pelotonscommandanten, collega’s, kameraden de eersten zijn die voor dat grote
vangnet kunnen zorgen, en wij, psycho-sociaal team
zullen paraat staan om die helpende hand te reiken met een luisterend oor en
een gepast woord op het juiste moment.
dinsdag 15 - woensdag 16 juli 2008
het worden zeer rustige dagen boordevol lectuur en ‘s
avonds een dvd-tje met één van Aspe’s
verfilmde romans.
Deze woensdag was ik er bij als een viertal medical’ers in het parochiezaaltje van Tibnine een
dertigtal kinderen en hun begeleid(st)ers een aangename schminknamiddag bezorgden. Zij toverden
op de gezichten van de kinderen de vrolijkste dieren- of lelijkste
monstermaskers, anderen werden feeën en prinsessen. Een geslaagde namiddag.
donderdag 17 juli 2008
Zuster Lucienne van Yaroun heeft getelefoneerd en gevraagd om haar te bezoeken.
Dat is een bevel! Wij rijden er heen via Ain Abel
waar wij een man opzoeken die verantwoordelijk is voor de Grieks-Katholieke
gemeenschap. Het is een fijne kennismaking, waarbij ook vaak de naam van Eric
valt. Eric Pétré is een jonge collega die hier
tijdens de winter verbleef, en bij heel veel mensen goede en plezante
herinneringen oproept. Na de koffie zetten we aan naar Yaroun
waar we een beetje te laat aankomen, maar dat neemt zuster Lucienne
niet kwalijk. Zij is een robuuste vrouw die gezag uitstraalt en niet wil
tegengesproken worden, zeggen mijn collega’s. Maar alles valt heel goed mee en
ze vertelt over de armoede in de streek door gebrek aan werk, over watertekort
door een beperkt aantal uren elektriciteit per dag zodat het water niet boven
gepompt geraakt, over de benzineprijzen die de pan uit swingen (hier dus ook),
over de verhoging van de elementaire voedselprijzen, over de verhouding met de
moslims die eerder vijandig staan, enz...
Dan vraagt ze mij of wij haar kunnen helpen: zij zou voor
de school een computer willen aanschaffen; ik weet niet wat ik haar moet
antwoorden. Ik stuur deze avond een mailtje naar ‘het Werk van het Oosten’ om
te zien of vandaar wat steun kan komen. Ja, van waar kan er hulp komen?!
En dan stelt ze ons de priester van Yaroun
voor, die wanneer hij binnenkomt, onmiddellijk naar mij komt en mij hartelijk
begroet: abouna François. Iedereen is verwonderd dat
wij elkaar kennen, maar dat ligt natuurlijk aan de eerste zending.
In het terugkeren stoppen we nog even aan zijn kerkje en
we spreken af dat, als de kolonel het toestaat, wij elkaar terug zien in Ain Abel op zaterdagavond voor het feest van de profeet Elia, die zijn naam gaf aan het oudste kerkje aldaar... en
we moeten de kolonel ook uitnodigen mee te komen.
Deze avond zet ik mij aan het werk: een mailtje naar ‘het
Werk van het Oosten’, een organisatie met een gelijknamig tijdschrift, dat
steun verleent aan de christelijke gemeenschappen in het Nabije Oosten.
Ik schrijf onder meer:
“Ik verblijf reeds meer dan vijf weken in het zuiden van Libanon, het gebied
dat enorm geteisterd werd tijdens de laatste Israëlische oorlog en ik word
overal geconfronteerd met verontrustende berichten vanuit kerkelijke hoek. We
weten dat de bisschoppen van het Nabije Oosten alles in het werk zetten om de
kristenen te motiveren het land of de regio niet te verlaten, wat tot nu toe
massaal gebeurt: hoge werkloosheid, geen ondersteuning, zeker niet voor de
minderheid die christenen overal zijn.
De situatie is schrijnend, en dagelijks ontmoet ik de priesters of
religieuzen die op hun parochies en scholen proberen met de moed der wanhoop
verder te doen. Onze morele steun is voor hen zeer waardevol, en ik weet dat ik
op dit vlak bevoorrecht ben om deze christelijke gemeenschappen van nabij te
volgen. Het is voor mij reeds de tweede zending van vier maanden in deze regio.
Elke week nemen wij met de soldaten die geen dienst hebben deel aan de
heilige liturgie van de Grieks-Katholieken in
Tibnine, of in Ain-Abel of in Yaroun,
of bij de maronitische gemeenschappen, en bijna wekelijks ben ik van preek (in
het Frans) met Arabische vertaling.
Overal vragen de zusters of priesters mij of ik geen kanalen ken langswaar zij een beetje financiële ondersteuning zouden
kunnen krijgen, voor concrete projecten die ik zelf noodzakelijk en dringend
acht, maar wie ben ik…?!
Gisteren vroegen de zusters Salvatorianen (Grieks-Katholieken) mij of ik hen geen hulp zou kunnen
verlenen bij de aankoop van een computer voor de school. De 30% christelijke
leerlingen betalen geen geld, want die gezinnen behoren tot de armsten van de regio (Yaroun
grenst aan Israël), de 70% moslimkinderen betalen een kleine bijdrage. Ik heb
zuster Lucienne van de école
Saint-Georges beloofd dat ik de contactgegevens van ‘het
Werk van het Oosten’ zou doorgeven. Maar ik wil op haar vraag al
anticiperen door jullie hiervan op de hoogte te brengen.
In Tibnine, waar wij in de kerk op 21 juli het Te Deum
zingen ter gelegenheid van onze nationale feestdag, zit men al meer dan 20 jaar
met een generator die het laat afweten. De elektriciteitsvoorziening in Zuid-Libanon levert per dag een aantal uren stroom,
natuurlijk niet op die momenten waarop er vieringen zijn in de kerk. De
terechte vraag van de gemeenschap is om een nieuwere generator te kunnen
aanschaffen waarmee én de kerk én
het parochiehuis én pastorij van stroom zou kunnen
voorzien worden, zonder onderbrekingen en beschadigingen aan de installaties,
zoals nu wel het geval is.
Elke week komen er een 100 tot 150 mensen samen voor de liturgie.
Wij zullen voor 21 juli een noodgenerator opstellen, dan is ‘ons’ probleem
opgelost, maar wat met de christelijke gemeenschap?
Kan ‘het Werk’ ook hier een antwoord bieden?
Mocht er iemand zijn die op één of andere wijze een beetje kan helpen,
bijv. met €5 of €10, dan kan hij of zij dit overschrijven op het nummer
890-5441013-23 van de ‘Vrienden van Galilea’ met vermelding “Tibnine”. Het is
een eenvoudige vraag om hier te helpen, en alle giften worden aanvaard met heel
grote dankbaarheid.
vrijdag 18 juli 2008
Op weg naar de markt komen we aan de kerk voorbij en kijken de elektrische
installatie na, ook die voor het geluid. Onze technici zijn meegekomen en weten
direct wat ze moeten aanbrengen opdat het Te Deum
maandag vlot zou verlopen.
Op de markt koop ik gauw wat nootjes en keer dan terug.
In de namiddag is er een grote rampenoefening, een maskal,
waarbij de alertheid van iedereen en de inzet van onze medici, pompiers,
ambulanciers, en andere hulpverleners wordt uitgetest.
Er is brand uitgebroken in het slaapgedeelte van de genie, er zijn vele
gekwetsten, ...
Naar mijn inziens verloopt de oefening zeer goed, en een grondige evaluatie
zal de kleine of grote tekorten wel opsporen...
‘s Avonds is er zangrepetitie voor het Te Deum,
dit wil zeggen dat Jan die klarinet speelt, Eva die zingt en de anesthesist met
zijn gitaar voor het muzikale gedeelte zullen instaan.
Het programma ziet er als volgt uit: de Highlandrapsodie
voor klarinet bij het begin, na het gebed een concerto van Mozart (klarinet),
dan zingt Eva het Ave Maria van Bach/Gounod als tussenzang, begeleid door Jan en en na de voorbeden en voor het slotgebed zingt Eva het
prachtige oud-Engelse danklied Amazing
grace van John Newton. Het belooft zeer goed te
worden.
zaterdag 19 juli - zondag 20 juli 2008
Abouna Maurice heeft een
afspraak gemaakt met onze tandarts en om 15 uur stipt staat hij aan de wacht,
samen met zijn vrouw, een verleidelijke schoonheid. Ook de tandarts-assistent
wacht hem op en ik zal het tafereel niet beschrijven dat zich afspeelde toen
Maurice in de stoel zat en ‘verlost’ werd van zijn miserie.
‘S avonds rijden wij met zijn vijven naar Ain
Abel waar de feestelijke viering voor de profeet Eli begint in het oude kerkje.
De aartsbisschop van Tyrus, Georges Bacouni, die in de zomer in Yaroun
verblijft (omwille van de aangenamere temperatuur) en zijn voorganger Mgr. Haddad zitten de viering voor. Mgr. Bacouni
nodigt mij uit om mee in het priesterkoor te zitten (hij herkende mij
onmiddellijk en sprak mij aan met abouna Renaat) en
na het eerste deel zet een reuzestoet zich in
beweging rond de icoon van de H. Elia, geflankeerd
door honderd jongens en meisjesscouts in uniform. In zo een processie stap ik
al jaren niet meer mee, maar hier voel ik mij echt opgenomen en als ik achterom
zie merk ik een echte mensenzee over de volledige breedte van de weg, voor alle
verkeer afgesloten. In de nieuwe kerk die vlug volloopt wordt de
slotplechtigheid gehouden met de zegening van het Elia-brood
dat aan iedereen wordt uitgedeeld. Het gelegenheidskoor zorgt voor de muzikale
noot, maar ook de priesters laten zich horen in de prachtige eeuwenoude
gezangen van de Byzantijnse liturgie. Ook de maronitische priester neemt aan
alles deel en na de dienst zien we elkaar terug op een etentje dat in een
befaamd restaurant wordt opgediend.
Ik moet plaats nemen bij de aartsbisschoppen en de priesters. Aansluitend
zitten onze kolonel en de andere officieren. Het feest van een heilige is hier
werkelijk een feest voor het lichaam en de geest en het hart. We kunnen er nog
iets van leren.
maandag 21 juli 2008
Onze nationale feestdag begint met een te Deum in
de kerk van Tibnine, bijgewoond door generaal Wauters,
onze officieren, onder-officieren en vrijwilligers.
Bij het aankomen schouwt de generaal de erewacht en ik verwelkom hem samen met
kolonel Dany aan de kerkdeur.
De feestelijke viering verloopt zoals gepland, de gebeden, lezingen en
liederen ... en met het vaderlandse lied dat de generaal met luide stem
meezingt besluiten wij de viering. Een eenvoudige maar hartelijke viering op de
maat van soldaten-van-nu.
Een honderd meter voorbij de kerk staat het monument dat herinnert aan de
drie soldaten die vorig jaar, in 2007, met een pandour
om het leven kwamen. Vandaag worden ze herdacht met een bloemenkrans die de
generaal neerlegt, de ‘last post’, het gebed van de padre,
het ‘te velde’ en het volkslied. Bij het monument staan enkele pelotons
opgesteld. Het is een sterk moment!
Terug in Scorpion trek ik naar het heliplatform
waar de ganse medische equipe verzameld is voor enkele groepsfoto’s.
Ondertussen komen de genodigden aan voor de parade en een demo.
De parade kent zijn klassiek verloop, met speeches incluis, en na de parade
is er een demonstratie, in samenwerking met het lokale Libanese Rode Kruis, van
een reddingsoperatie van een verongelukte chauffeur, die op een berrie
vastgebonden, over een steile hindernis wordt gehaald.
Een staande lunch voor de genodigden en een lekkere maaltijd voor ons maakt
deze middag compleet.
In de late namiddag kan ik meerijden naar Beiroet voor een receptie bij de
ambassadeur. Aan de poort van het domein hangt een reuze Belgische luchtballon,
als om te zeggen: hier is ‘t! Met de feeërieke verlichting en de grote
illustraties van Belgische stripkunstenaars wordt de toon gezet.
De ambassadeur is een beminnelijk man, en met zijn echtgenote heet hij
allen welkom. Zoals op 15 november is er heel veel volk, en ik ben blij een Belgische
Jezuïet te zien, en natuurlijk ook een ‘kleine Zuster van Nazareth’, en Hans,
een oud-student van het college die voor de Europese gemeenschap werkt, en ...
en ...
De avond is heel vlug voorbij en ons wacht nog een rit van een aantal
uurtjes naar ons kamp, maar de weg is voor ons alleen en tegen half één staan
wij voor de poort. Het was een toffe maar vermoeiende dag. Deo gratias.
Zo lievelingen, de eerste vijf weken zitten er op. Jullie weten dat alle
foto’s op de volgende website staan: http://picasaweb.google.com/tibnine -
2008.
Jullie kunnen mij normaal mailen op renaat@renaat.be
en mochten jullie andere mensen kennen die graag mijn dagboek ontvangen, geen
probleem: zend mij hun emailadres en per kerende zijn
zij bij de geadresseerden.
Ik groet jullie allen hartelijk, moge het jullie allen goed gaan, ...
en God zegene en beware jullie.
Maä salamee